FOCUSING MET EEN GEDISSOCIEERDE ADOLESCENT

Focusing met een gedissocieerde adolescent
Een meervoudige identiteitsstoornis bij een 13-jarig meisje
Bart Santen

 

1. INLEIDING

Amber ‘weet’ nu wat haar op 3-jarige leeftijd achter alters deed verdwijnen. De gedissocieerde deelpersoonlijkheid die destijds de emotionele taak van het ondergaan van die belastende ervaring van Amber overnam, had de herinnering op dit punt in de weg gestaan. Die innerlijke noodgreep had Amber destijds verlichting gebracht, maar had haar tegelijkertijd in een neerwaartse spiraal van zelf-vervreemding doen belanden. Elf jaar later, na vijf maanden therapie, beschreef zij haar gevoel na die voor haar niet meer toegankelijke beangstigende ervaring als een ‘in-braak’: ‘Ik zat op het gras in de tuin bij ons huis. Ik zag alles in een waas om me heen. Ik wou huilen en toen kwamen die bangheidspersonen, als wespen die soms met zijn allen op je afkomen. Alles werd zwart. Het was zo’n eng moment dat ik er liever niet aan denk. Toch gaf het een stukje bevrijding; ik hoefde mezelf niet meer alleen te dragen. Ik was toen weg, maar zelfs die personen die dan kwamen om mij te helpen raakten ook vast. Ik ben er helemaal kapot aan gegaan, omdat het allemaal nep was, omdat ik het niet ben.’

Dissociëren was voor Amber een kenmerkende reactie op spanningverwekkende gebeurtenissen geworden. Haar vermogen om onbelemmerd te reageren was geleidelijk achter een netwerk van behulpzame, verstorende, gebiedende en observerende persoonlijkheidsdelen verdwenen, die afwisselend haar handelen bepaalden zonder dat ze dat meer dan vagelijk besefte. Eén van die alters, Trixie, verbood haar te eten. Trixie haatte eten.

Ik doe hier verslag van een jaar focusing (Gendlin 1981a; Santen & Gendlin 1985) met een anorectisch meisje, dat zichzelf als meervoudig (Van der Hart & Boon 1991;Armstrong 1993) beleefde. Zij werd op 13-jarige leeftijd wegens depressieve symptomen, spanningshoofdpijn en gewichtsverlies in een kliniek opgenomen. Enkele maanden later kwam zij bij mij in therapie. Ik probeer hier weer te geven hoe Amber erin zou slagen haar vermogen tot oorspronkelijk ervaren te herstellen. Daarbij zal ik enkele factoren noemen die tot deze ontwikkeling hebben bijgedragen.

2. DE SCHREEUW

Tijdens onze eerste zittingen maakte Amber een afwezige indruk. Omdat ze sprak over een ‘ondoordringbare wolk van echte gevoelens bij alles’, probeerde ik haar erin te begeleiden woorden te vinden die als handvat zouden dienen om die wolk te beschrijven. Ze kon er geen vinden. Daarom zocht ik naar een andere manier om haar dergelijke woorden te laten ontdekken. Ik bood haar een tiental pagina‘s met door mij geselecteerde citaten uit dagboeken en brieven van Franz Katka (1967) aan; citaten die verwezen naar Kafka ‘s eigen worsteling met zelfvervreemding. Ik vroeg Amber deze citaten te lezen en daarin de passages aan te strepen waarin zij iets van zichzelf herkende. Dit bleek voor haar een bruikbaar handvat om op een draaglijke wijze in contact te : komen met haar angstige binnenwereld. ‘Ik probeer over iets te vertellen wat mij in de botten zit en wat alleen in die botten beleefd kan worden’, streepte ze aan, ‘misschien is het niets anders dan die angst. Angst uitgebreid tot alles. Krampachtige angst voor het uitspreken van een woord. Deze angst is misschien niet alleen angst, maar ook verlangen naar iets dat meer is dan al het angstaanjagende.’ Amber leek contact te zoeken. Achter haar angst ging kennelijk een verlangen schuil. ‘Ik kan op eigen kracht de weg niet gaan die ik wil gaan.’ Ook dat streepte ze aan, en ook dat leek een signaal. Daarnaast liet ze me weten dat ik haar zwakke identiteit bedreigde:

‘Alléén leef ik nog’, streepte ze aan, ‘maar als er een bezoeker komt, dan doodt hij mij letterlijk.’

Enkele weken later maakte Amber opnieuw een afwezige indruk. Daarom vroeg ik haar als het ware achter zichzelf te verdwijnen door op een stoel te gaan zitten die achter de stoel stond waar ze op dat moment op zat, zodat de afstand tot mij groter werd. Nu ik voor haar letterlijk op een grotere afstand kwam, vroeg ik haar van binnen na te gaan of er iets in haar opkwam. ‘Ik schreeuw’, zei ze, maar schreeuwen kon ze niet. Om haar erbij te helpen het contact met dit gevoel niet te verliezen, vroeg ik haar daar focussend aandacht aan te schenken (Gendlin 1981a; Santen & Gendlin 1985): ik vroeg haar die schreeuw te schilderen, enige stappen achteruit te zetten en dan afwisselend naar het gesymboliseerde te kijken en vervolgens bij zichzelf na te gaan of de schildering klopte met haar gevoel (Santen 1988, 1990).

Amber schilderde. Rode en zwarte krassen, blauwe vlekken. Ze zette ‘De schreeuw’ erboven (zie figuur 20.1). Ze deed op mijn verzoek een paar stappen achteruit. Van daaruit keek ze naar wat ze geschilderd had en ging ze na

of er woorden in haar opkwamen die iets zeiden over de hoedanigheid van het in haar schilderij gesymboliseerde gevoel. ‘Het is de schreeuw van alle rottigheid’, zei ze, ‘Het zit allemaal in die muur (...) in die kooi.’ Ik liet haar de woorden ‘muur’ en ‘kooi’ hardop proeven. ‘Kooi’ voelde voor haar het meest passend aan. Amber schreef ‘Ik schreeuw in de kooi’ op het beschilderde blad, en voorzag het geheel van een zwartrode rand. Een week later schilderde Amber de schreeuw opnieuw, op mijn verzoek sterk vergroot. Ze wees op de vlekken en zei dat het tranen waren. Maar huilen kon ze niet. Innerlijke stemmen blokkeerden het contact met haar gevoel. Toen ik haar vroeg die kritiserende gedachten even op een plek te parkeren en na te gaan hoe het voelde zo naar haar geschilderde tranen te kijken, kon ze dat gevoel even aanraken: ‘Een ingestorte wereld’ zei ze. en toen ze dat had kunnen verwoorden leek haar schilderij niet meer goed bij haar beleving te passen (belevingsverschuiving). Ze schilderde opnieuw. ‘Een ingeknakte bloem waar een voet op trapt’. Een agressor die iets vertrapt was daarmee in beeld gekomen. Amber liet het van enige afstand op zich inwerken, en constateerde: ‘Mijn leven is vertrapt (...) ik weet alleen nog niet door wie’. Toen ze dit opgeschreven had, voegde ze het woord ‘verwoest’ eraan toe om te verduidelijken wat ze bedoelde; tegelijkertijd -ze scheen het zelf niet te merken -kraste ze het woord ‘ik’ uit haar tekst weg. Zo wisselden opflakkeringen van gevoel en censurerende bewegingen elkaar af. Toen ik haar afstand liet nemen en haar van daaruit naar haar schilderij liet kijken, bleek er toch iets in haar belevingswijze veranderd te zijn. Ditmaal nam niet de censuur het van het gevoel over, maar week de censuur voor een authentieke verzuchting:

‘Ik weet dat ik het niet mag zeggen, maar ik vind het .oneerlijk: ik ben bijna veertien en ik weet nog niet eens wat leven is. Ik heb alleen gekeken. Ik wil het zelf ook.’

Meteen scheen deze uitspraak van het ‘ik’ verdrongen te worden door de echo van becommentariërende stemmen die haar ‘(Zij) Vindt het oneerlijk’ en ‘(Zij) Wil het zelf ook’ deden opschrijven.

Gedurende twee maanden volgden we regelmatig eenzelfde patroon: ik liet Amber haar schildering van de vorige keer zien, en vroeg haar daarbij opgekomen sleutelwoorden te schilderen. Zo ontstond een serie gevoelsmatig met elkaar verweven schilderijen, waar zij op focuste, waarmee nieuwe verschuivingen in haar belevingswijze in gang gezet werden. We keken naar Amber’s laatste schilderij.

‘Verwoest’, zei ik, ‘Wil je dat schilderen?’ Zoals wel vaker protesteerde Amber even. om daarna aan de slag te gaan. Terwijl rode strepen in haar eerdere schilderijen verstard geschilderd waren, begonnen ze nu meer in beweging te komen

(zie figuur 20.2). Amber kon het geschilderde nauwelijks aanzien:

Je moet je maar eens indenken: als dat zo in je lichaam zit, dat is eng (...) Verwoest in mijn denken, afschuwelijk, als bij een aardbeving in het hoofd (...) Pats, ineens is alles weg.’

Ze zei dat deze verwoesting in haar denken al vele jaren geleden had plaatsgevonden. Ze probeerde te beschrijven hoe ze geleden had onder het proces van zelfvervreemding. Door dit te onderkennen zette ze een nieuwe stap naar het geleidelijke herstel van haar zelfgevoel (‘ik’-beleving).

‘Ik ben het helemaal zat (...) Als ik iets doe, dat ik dan niet weet wat ik zeg, ik mezelf niet kan zijn. Dan zeg ik heel andere dingen die niet bij mij horen. Daar word je wel heel wanhopig van, ik tenminste wel. Ik ben het gewoon zat om kapot te zijn!’ (zie figuur 20,2),

Een paar dagen later voegde ze er aan toe: ‘Het is alsof ik uit elkaar barst. Ik probeer het eruit te laten komen, maar het lukt niet. Ik ben hartstikke onecht. Ik ben net een pop. Het is alsof je er niet bent, alsof iemand op het knopje drukt en jij dan begint te praten.’

Nogmaals schilderde Amber de schreeuw, ditmaal duizend keer vergroot; ze besefte hoe niet-te-omschrijven-zo-erg het vanbinnen was. Ze borstelde een grote plek zwart. Rode en blauwe strepen wervelden eromheen. Maar toen ze enkele stappen naar achteren had gezet, bleek ze haar werkelijkheid als nóg erger te beleven. Amber schilderde opnieuw. Vrijwel het hele schilderij werd nu zwart ingeborsteld. Een rode omlijsting deed dienst als kooi. Amber ging nogmaals enkele stappen naar achteren en ging in zichzelf na wat er in haar opkwam dat hier verband mee leek te houden. Het woord ‘gevoelloos’ diende zich in haar aan, maar toen ze dat woord proevend uitprobeerde, merkte ze dat dit zogenaamd ontbreken van gevoel een defensieve reactie was op een last die zwaarder was dan ze kon verdragen: ‘Het is zoveel, dat ik het niet meer aankan, maar het zal wel moeten, dus probeer ik mezelf een beetje onverschillig te maken.’

3 MEERPARTIJENOVERLEG

Amber was wanhopig. Ze wist niet hoe hier ooit uit te komen. Tijdens de volgende zitting zou echter blijken dat er iets in haar op gang gekomen was dat haar onontkoombaar tot een even noodzakelijke als beangstigende ontdekking zou brengen.

Dadelijk bij binnenkomst zei Amber zichzelf te haten. Ik vroeg haar ‘Ik haat mezelf’ bovenaan het papier te schilderen. ‘Ik haat mezelf’, schreef ze. De ‘i’ verdween even later ook achter een zwarte pijl. Tegelijkertijd onthulde Amber haar innerlijke werkelijkheid vergaander dan tot dusver het geval was geweest. Nu werd pas goed duidelijk wat gevangen-zijn voor haar betekende. Twee identiek ogende vrouwelijke personen -de ene met een blauwe, de andere met een zwarte rok -stonden in een kooi met hun rug in een hoek geklemd. Zij waren met boeien aan zichzelf en aan elkaar vastgeklonken. Hun hoofden waren naar ons gericht, zonder een gezicht om ons aan te kijken. We keken rechtstreeks in hun hoofd. Steeds liepen hun gedachten door elkaar. Hun zwarte hart was gebroken, hun maag kromp ineen. Een groot kruis over het hele schilderij gaf aan dat ‘bijna niemand dit begrijpt en dat die ellende er eigenlijk ook niet mag zijn, maar het is wel zo’ (zie figuur 20.3). Hier aangekomen onthulde Amber dat ze zichzelf wel als uit tien personen voelde bestaan.

Amber en ik richtten onze aandacht op de twee geschilderde figuren. Amber legde uit dat ze elkaar haatten. ‘En alle twee weten ze niet wat ze moeten doen (...) Er zit af en toe nog wel wat ruimte tussen, maar ze zitten helemaal klem.’ Uit Amber’s uitleg begreep ik dat de éne vrouw een in Amber levend geheel van alterpersoonlijkheden symboliseerde; de andere vrouw symboliseerde haar ‘ik’. De blauwgerokte, zo legde ze uit, ‘probeert steeds melig te zijn’: ‘Ze probeert al het andere steeds weg te stoppen, probeert maar leuk te doen en het ook voor anderen allemaal leuk te houden, dus die denkt niet zoveel aan zichzelf (...) Ook die stoorzender zit erin (...) nou, je ziet dus hoe ie er écht uitziet. Ik vind hem er wel triestig uitzien als ik het eerlijk mag zeggen, zo triestig dat het gewoon niet meer triestig kan zijn, Dan ga je vanzelf steeds lachen (...) De gemeenspeler zit daar ook in. Verder heb ik ze nog niet zo ontdekt, maar ze zijn er wel.’ De zwartgerokte daarentegen ‘probeert écht te zeggen wat er aan de hand is’ : ’Die probeert wel om echt te zijn, maar dat lukt dus van geen kanten, dat mag dan weer niet. Dan komen al die anderen. Die zorgen er wel voor dat .de “ik” er niet uitkomt.’

- Amber onderscheidde dus haar ‘ik’, dat met probeerde te zeggen wat er met haar aan de hand was, en een geheel van in haar genestelde anderen die het bewustzijn van haar ‘ik’ niet toestonden en meestal wisten te verijdelen. Door haar situatie zo te kunnen typeren maakte Amber haar ‘ik’ een ogenblik vrij. En doordat ze haar alterpersoonlijkheden als niet-eigen aan haar ‘ik’ kon aanduiden, bood ze mij de mogelijkheid haar erbij te gaan helpen de greep op haar eigen belevingswereld geleidelijk meer terug te krijgen. Haar ‘ik’ zou nu die ‘hets’ in kaart kunnen gaan brengen. Elk daarvan zou zijn eigen plaats kunnen krijgen. Daardoor zou Amber het verschil kunnen gaan ervaren tussen die niet-eigen maar dwingende influisteringen en de stille stem van haar ‘ik’.

Hierbij zou het nauw luisteren hoe Amber en ik haar alters tegemoet zouden treden (Gendlin 1982a). Beslistheid maar ook oprechte acceptatie zou noodzakelijk zijn. Enerzijds moest bewaakt worden dat de alters niet langer bijna het gehele veld zouden domineren ten koste van Amber’s ‘ik’; anderzijds hadden ook de alters bestaansrecht, en ook dat verdiende erkenning: eens waren ze ingezet om Amber erbij te helpen emotioneel te overleven en deze functie vervulden ze nog steeds, ook al moest Amber daar de hoge prijs van zelfvervreemding voor betalen. Zouden we erin slagen vanuit deze optiek met de alters in gesprek te komen, dan zouden wellicht ook kwetsbaarder gevoelens onder hun dwingende facade naar voren kunnen komen. Als Amber en ik de aanwezigheid van al die krachten in haar met de bijbehorende gevoelens zouden kunnen erkennen, ze accepterend zouden kunnen ontvangen, dan zou dit de integratie van haar gevoelsleven kunnen bevorderen. Een bemoeilijkende factor zou zijn, dat een dergelijk proces onontkoombaar ook de amnesie met betrekking tot rigoureus afgeweerde ervaringen zou opheffen, ervaringen die juist destijds wegens hun onverdraaglijkheid aan haar bewustzijn onttrokken hadden moeten worden. Een goede dosering van het proces, een nauwgezet rekening houden met Amber’s eigen ritme en draagkracht zou dus noodzakelijk zijn.

Vanaf dat moment werkte ik openlijk met Amber vanuit het uitgangspunt dat therapie hier meerpartijen overleg was. Ik probeerde door Amber’s bemiddeling met elk van haar alters in gesprek te komen. Mijn boodschap aan haar alters luidde: ik weet dat jullie er zijn. ik heb er begrip voor dat jullie je niet zomaar melden, maar ik wil jullie allemaal leren kennen. Als Amber bijvoorbeeld blokkeerde tijdens een gesprek, dan vroeg ik haar op te schrijven welke alters op dat moment bepaalden dat haar bewegende lippen niet spraken. Hele reeksen alters bleken dan -achtereenvolgens en elkaar verdringend - in het geweer gekomen te zijn. Door dát te kunnen beschrijven kreeg Amber’s ‘ik’ dan de macht over haar lippen terug. Dit maakte de weg vrij voor een aanzienlijke verschuiving in haar beleving. Ze begon te beseffen dat alters regelmatig gemobiliseerd werden om haar suïcidale verlangens te onderdrukken. Toen dit besef doorbrak, was ze bang zich werkelijk iets aan te zullen gaan doen. In plaats daarvan creëerde deze doorleefde erkenning de ruimte voor een volgende belevingsverschuiving. Heftige - haatgevoelens kwamen in Amber op en bleken niet alleen haarzelf te betreffen: ‘Eén grote massa, ze zit er bij mij uit. Haat ja, dat speelt de laatste dagen. Haat in de grote massa. Haat tegen de wereld, haat tegen de mensen, haat vooral naar mezelf toe: één grote ster vol haat.’ ‘Ze zit er bij mij uit.’ Terwijl Amber daarmee bedoelde te zeggen: ‘Zo ziet het er bij mij uit’, leek deze verspreking erop te wijzen hoezeer zij worstelde met de symbiotische band die ze met haar moeder had. Haar moeder - -was in meerdere alters in Amber vertegenwoordigd. Het zou meer tijd vragen eer Amber besefte dat haar haat ook haar stiefvader betrof en wat daar aan ten grondslag lag.

In haar kliniek en thuis begon Amber assertiever te reageren dan eerder het geval was geweest. Ze begon haar grenzen te herstellen. Tegelijkertijd begon ze schoorvoetend blijk te geven van glorende hoop op integratie: ‘Ik droom om ooit één iemand te zijn, om niet om de twee minuten iemand anders te zijn. Maar het zijn alleen maar dromen.’

Om Amber en haar alters een spiegel voor te houden, en haar te laten merken dat ze niet de enige was die zich in een dergelijke existentiële situatie bevond, vroeg ik haar het boek ‘De Koningin gilt (Chase 1990) te lezen. In dit boek Iaat een vrouw, die zich als meervoudig beleeft, haar alters zich rechtstreeks tot de lezer richten. Ik vroeg Amber in het boek aan te strepen waar ze zich in herkende. Ook vroeg ik haar haar alters te laten reageren op het feit dat ze dit boek las:

Amber’s alter de bedreiger dreigde: ‘Je leest dit nou, maar waag het niet om je zo te laten vernietigen’; de poppige schrok:

‘0 jee, sommige mensen kennen ons’; de schuldige beschuldigde: ‘Die vrouw heeft afschuwelijke dingen meegemaakt, Bij haar is het logisch dat ze dal heeft. Jij bent gewoon gek’ De schok der herkenning gaf Amber moed om op zoek te blijven naar haar eigenheid. Ondanks de pijn die daarmee onlosmakelijk verbonden was, nam ze meerdere initiatieven die het therapeutisch proces bevorderen en gaf mij daarmee nieuwe aanknopingspunten om verder te gaan. Ze pakte opnieuw Kafka ‘s teksten, streepte daarin ‘alles wat ik eerst niet wilde zien en zeggen’ aan, en in een andere kleur ook ‘dat waar ik nog niet uit ben’; ‘snippers van herinneringen’ kwamen boven.

Amber vroeg me mee te gaan naar het huis waar het eerste dissociëren destijds had plaatsgevonden. Ze ontwikkelde haar eigen manieren om ruimte te creëren: ze begon gedichten te schrijven, ze sprak de door haar aangestreepte Kafka-teksten in op de band en luisterde ernaar op haar kamer. Door op deze manier de door haar uitgekozen teksten te laten resoneren, kon ze nogmaals proeven wat (Figuur 20.3) dit in haar raakte. waarmee haar gevoelsstroom weer verder in beweging kon komen.

Eén van haar gedichten heette ‘ik’: ‘Ik ken “ik” allang niet meer. Het lijkt of het verdwenen is. Soms heel even voel ik iets. maar voor ik het kan zeggen is het weg (...). Misschien ben ik waardeloos. maar ik moet iets worden, iets, niet niks, niet leeg en toch vol: ik wil gewoon iets betekenen, Niet leeg en toch vol. Hoewel het nauwelijks hardop gezegd mocht worden en ze zeker geen normaal eetpatroon vertoonde, begon Amber zich weer gezond te voeden en goed op gewicht te blijven. Ze werd nu beschreven als ‘echt een meid van veertien’. Haar borsten begonnen te groeien. Amber, die zich voorheen regelmatig tot bloedens toe in haar armen gekrast had stopte daar nu vrijwel geheel mee.

4 DE ALTERS ONTDEKT

Nu het ontdekkingsproces zich krachtig doorzette werd Amber weer banger voor de mogelijke gevolgen daarvan. Haar pijn leek snel te groeien. Na het lezen van Kafka ‘s verhaal “In de strafkolonie’ (Kafka 1977), waarin ze haar eigen proces treffend verbeeld zag, lichtte ze haar angst nader toe: Als ik over die wereld vanbinnen aan het praten ben, dan is dat voor mijzelf en die personen gevaarlijk, want dan raakt het vanbinnen allemaal in paniek en dan gaat dat wat er opgebouwd was weer kapot. Dan stort het in en dan blijft er niks over, behalve wat er toen zat toen de inbraak begon, en dat zal ook wel niet veel soeps zijn, en misschien stort dat dan ook wel in, en dan zou ik weerloos zijn, want anders was die wereld van personen niet ontstaan. Ik was toen niet sterk genoeg en dat ben ik nog steeds niet. Het is bij alles gevaarlijk als je dingen een naam geeft. Dat moet ie gewoon niet doen.

Tegelijkertijd besefte ze dat er geen weg terug was: ‘Ik, één persoon, was er altijd en liet zich niet zomaar wegduwen. Heel veel nood, bangheid, snelheid, vluchtigheid zit er allemaal in mezelf. Als ‘ik’ kijk je mee hoe het vanbinnen werkt, maar dat mag niet, dus dan word je weer weggetrokken. ‘Niemand mag iets van ons zien.’ Uiteindelijk valt het in duigen. Je krijst vanbinnen. Je gaat eraan kapot. Na een tijd is de kracht op om tegen alles in te gaan. Je hebt dan geen trek meer in eten. Eten is uitspugen.’

Amber besefte dat zij zelfhaar leven zou moeten gaan leven. Onder mijn begeleiding bracht ze de kolonie, die zozeer de regie van haar ‘ik’ had overgenomen, steeds verder in kaart en kreeg daarmee deels die regie weer terug. In de loop van zeven maanden voorzag ze zo’n tachtig alters van een naam. We ontdekten hun volgorde van ontstaan en hun geslacht. Vrijwel al die alters gaven in hun eigen handschrift een boodschap af, waarmee elk voor zich zijn/haar eigen functie in het imaginaire netwerk verduidelijkte. Ik vroeg Amber aan te geven hoe alters vaak via andere alters communiceerden. Bovendien ontrafelde Amber nog zo’n vijfentwintig alters die zich naamloos in een ‘witte massa’ bevonden. Nadat Amber ongeveer zestig alters geïdentificeerd had, begon de tendens tot integratie zich ook binnen een door zo’n alter gegeven boodschap te manifesteren. Toen haar alter Olivia een boodschap schreef, viel deze samen met wat Amber zelf zo beleefd bleek te hebben. Voor het eerst gaf Amber hiermee aan dat het het gedrag van haar stiefvader was dat haar achter zichzelf had doen verdwijnen. Olivia: ‘Amber keek naar de film Colour Purple, en toen kwam ik. Olivia was een baby die weg moest. Zoiets voelde ik ook. Ik moest weg. Mijn vader wou me niet, dus ik ging.’

Na een moment van verwarring ontdekte Amber dat na Olivia’s eerste zin Amber zelf het woord had overgenomen. Ze bleek met ‘ik moest weg’ te bedoelen, dat ze zich door haar stiefvader afgewezen had gevoeld. Amber begon zich steeds meer af te vragen wat er in het verleden precies met haar gebeurd was. Ze zette die deur op een kier door te beschrijven dat die gesloten was: ‘Misschien weet ik het wel, maar het zit nog dicht. Ik heb allemaal kooitjes, hokjes in me en daar zitten allemaal herinneringen in. Ik kan ze niet zelf zomaar open of dicht doen. Sommige personen kunnen dat wel. Ze doen toch wat ze zelf willen. Als u zegt dat ze wegmoeten, gaan ze echt niet weg. Ik heb er ook niet zo’n behoefte aan om die hokjes geopend te krijgen.’

Amber zocht een nieuwe melodie, die beter bij haar paste. Haar oude melodie beleefde ze nu als vals. ‘Het past niet meer in elkaar, maar zolang ik het nog niet gevonden heb, zal ik moeten proberen het met deze uit te houden.’ Amber besefte dat ze eerst haar oude melodie beter zou moeten leren kennen voordat ze de nieuwe kon ontdekken. Haar besluit klonk nu definitief:

‘De stemmen kwamen om me te helpen, het is erg dat het is mislukt. Ze maakten me in stukken, dus ik moet mezelf vinden. Op een dag zal ik mezelf vinden, welke weet ik niet.’

Er leek iets tot leven te komen én iets af te sterven. Amber leek meer te kunnen genieten en kon nu soms ook giechelen. Toen ik haar eens vroeg of ze de namen van alle alters op afzonderlijke kaartjes wou schrijven en die op de grond wou leggen, lachte ze: ‘ Jeetje man, dat slaat toch nergens op. Zeg nou eerlijk, een beetje oetig is het wel. Ik heb het al zeven keer gedaan. Gaan we memory doen?’ Tegelijkertijd maakte Amber een heel angstig proces door. ‘s Nachts kreeg ze hevige ‘schokken’ met herinneringsflitsen, die ze niet meer kon tegenhouden. Terwijl ze eerder nooit kon huilen, was ze nu soms uren in tranen. Het was soms alsof haar keel werd dichtgeknepen als ze wou gaan spreken. Ze kreeg angstdempende medicatie. De therapie ging door.

Amber’s oude wereld verschrompelde. Ze schreef: ‘Nu is het leven voor mij als een boeket waar elke dag één bloem meer van aan het verdorren is (...). Elke dag een stukje leger en waar blijft het leven dan?’En terwijl ze haar rijke fantasieleven begon op te, geven, grensde ze zich nu in het werkelijke leven meer naar haar stiefvader af. Ze zei dat het eerdere (symbiotische) contact zoals ze dat met haar moeder had gehad, niet meer voor haar bestond. Nieuwe paden lagen nog niet gebaand. !

Opnieuw vroeg ik Amber haar 105 kaartjes op de grond te leggen. Spontaan legde ze de vijfentwintig naamloze kaartjes als een ‘witte - massa’ bij elkaar, haar ware zelf, zoals ze later zou ontdekken. Ze sloot die ‘witte massa’ in met een ring van alters. Amber zei dat de witte massa eigenlijk rood was. Veel woede, maar ook verdriet zat erin. Ik vroeg Amber enkele van die afschermende alters een boodschap te laten geven. Onmacht en kwetsbaarheid klonk in die boodschappen door. Hun handschriften begonnen in elkaar over te vloeien: ‘Ik en de anderen moeten de witte massa beschermen’, meldde Mister Blake. ‘Wij doen dat allemaal op onze eigen manier, waardoor we veel moeilijkheden krijgen’; ‘Ik ben bang voor de witte - --- massa’, zei Vluchtenden, ‘het meeste voor het huilen, wat er het meest in de witte massa zit’; ‘Ik weet veel en ik weet niks’, zei Loper; En Zenuwlijdster meldde: ‘Ik ben op het moment constant nerveus. Heel erg. Er gebeurt vanbinnen van alles wat niet mag.’ Angst, nervositeit, besef dat de desintegratie moeilijkheden veroorzaakte: de toegankelijkheid tot de kern leek dichtbij te komen. Enkele weken later noemde Amber de witte kaartjes op de grond ‘ik’. Ze duidde nu uit zichzelf de alters als ‘deelzelven’ aan:

‘Verschillende zelven. Eigenlijk horen ze bij elkaar, maar dat paste niet, en daarom ging iedereen zelf een eigen weg, een eigen leven leiden. Het kon niet anders. Zoals een puzzel uit elkaar valt, viel die ‘ik’ uit elkaar. En nu past het niet meer. Er zijn stukjes kwijt.’

Na een jaar therapie was Amber’s geneigdheid tot dissociëren aanzienlijk afgenomen. Haar alters namen de regie minder over - dan voorheen. Typerend was de laatste alter die ze vermeldde, Grensballon, die wees op het herstel van een authentieke - ---- kern. Grensballon zei: Als ze te ver van haarzelf vandaan is, geef ik de grens aan van: nu moet je stoppen.’ Terugblikkend op het achter haar liggende jaar schreef Amber haar wensen voor het nieuwe jaar op:

‘Ik wil beter worden. niet meer uit zoveel personen bestaan. Ik wil gewoon eens kunnen genieten van de dag. We hebben in dit jaar de personen ontdekt en een stukje geleerd om erover te praten. Ik voel nou meer verdriet, pijn, herinneringen. Ik mag het zeggen, van Bart dan, van mezelf nog niet. De zelven verzetten zich nog steeds teveel als ik iets wil doen of zeggen. Het was dit jaar een en al angst. Het is me duidelijk geworden dat die andere zelven bestaan. terwijl het vroeger één grote grijze massa was. Nu is het iets duidelijker wat er aan de hand is, ook al weet ik nog niet alles. Weer een jaar later ‘weet’ Amber wat ze ‘vergeten’ was: dat haar stiefvader haar seksueel misbruikt had. Ze herinnert zich nu dat haar stiefvader haar destijds ‘Dikkerdje’ noemde en dat dat bij haar de angst opgeroepen had dat hij haar zou grijpen zodra ze dik zou zijn; reden genoeg voor Trixie om Amber het eten te verbieden; reden genoeg om eten te haten. Soms, als haar angst heviger wordt, voelt Amber zich nog steeds ‘in zesentachtig werelden leven’ zoals ze het zelf noemt; basaal is echter haar beleving vanuit een eigen ‘ik’ steeds sterker geworden. Ook is een groot deel van haar alters naar de achtergrond verdwenen en daarmee is hun storende invloed op het zich kunnen ontvouwen van Amber’s kern aanzienlijk teruggelopen. Hoewel ze nog een lange weg te gaan heeft, is de neerwaartse spiraal van zelfvervreemding geen onomkeerbaar proces gebleken.

5 DISCUSSIE

Gendlin leerde van Rogers dat “als de therapeut iedere uiting van zelfexpressie van de cliënt in zich opneemt, toetst, verifieert en dan als zodanig accepteert, zonder dat de therapeut dit redigeert, er iets aan toevoegt, ‘corrigeert’, ‘bijstelt’ en ‘interpreteert’, hierdoor steeds meer innerlijke verlichting en ruimte ontstaat, totdat een zichzelf voortstuwend veranderingsproces in de cliënt op gang komt’ (Gendlin 1986. p. X). Ik werkte met Amber vanuit dit inzicht. Steeds weer zocht ik vormen om de bedding te creëren waarbinnen zij -ondanks alle innerlijke censuur -tot zelfexpressie zou kunnen komen. Bovenal en zoveel ik kon onthield ik me daarbij van inhoudelijk commentaar. Het was mijn bedoeling om al Amber’s uitingen -de gesmoorde uitingen van haar ‘ik’, maar ook de uitingen van haar alters, die ze aanvankelijk als niet-eigen beleefde -te verwelkomen. Ik leerde haar al het opgekomene uit te sorteren en het een eigen plek en daarmee bestaansrecht te geven. Vanuit de ruimte die ze daarmee voor zichzelf leerde creëren, kon ze die uitingen laten resoneren met haar gevoel; daarmee zette ze een zichzelf voortstuwend veranderingsproces in gang. Amber’s zelfgevoel begon zich te herstellen. De verlammende greep van haar alters op haar voelen, denken en handelen nam af. Haar angst door mijn -en andermans -aanwezigheid verzwolgen te kunnen worden begon te wijken.

Nu ‘weten’ we wat Amber’s lichaam al die tijd al aangegeven had: dat ze seksueel misbruikt was. Het vergde veel moed om haar angst te overwinnen en haar ingevroren ervaringen weer toe te gaan laten. Van meet af aan realiseerde ik me dat het belangrijk was dat de kiem van hoop op herstel bij haar levend gehouden werd. Ik probeerde Amber een .holding-environment’ (Winnicott 1965) te bieden, waarbinnen het voldoende veilig voor haar zou zijn om haar angst te weerstaan en verder te gaan. Het moeilijkste aspect in het haar begeleiden was dat ik -om haar die ‘holding environment’ te kunnen

bieden - eenzelfde ‘holding environment’ voor mezélf moest verzorgen en behouden. Kernberg ( 1968) heeft beschreven hoe therapeuten klemgezet kunnen worden door het sterk zuigend emotioneel appèl dat van cliënten kan uitgaan. Als therapeut kun je daardoor vervreemden van je eigen natuurlijke reacties en incongruent gaan reageren. Om jezelf te beschermen tegen de neiging om in reactie daarop hetzij emotioneel te zeer met de cliënt te vervloeien, hetzij in koele afstandelijkheid te vervallen, heb je als therapeut vaak meer structuur nodig om aan tegenoverdracht te ontkomen. Ditzelfde gold ook hier. Steeds weer testte Amber uit hoe zorgzaam ik met mijn eigen veiligheid wist om te gaan; hoe geloofwaardig ik was als ik haar de beschutting aanreikte om tot ‘containment’ te komen. Regelmatig was het of Amber alomtegenwoordig aanwezig was. Ze observeerde me nauwlettend. Ze deed een sterk appèl op mijn geneigdheid tot het bewonderen van haar intelligentie. Ze probeerde een erotisch spanningsveld tussen haar en mij te creëren. Ze gaf zelfs aan, dat sommige van haar alters zich in mij genesteld zouden hebben, zodat ze mijn denken en voelen van binnenuit konden controleren. Ze probeerde in mijn persoonlijke wereld binnen te dringen. Ze probeerde onze rollen om te draaien.

Ondanks al deze pogingen die Amber deed om me te verlammen, bleef ik aan haar duidelijk maken dat ik me daar bewust van was, dat ik besefte hoe bang ze was, maar dat ik haar niet toe zou staan controle over me uit te oefenen. Ik stond haar niet toe het kader te bepalen dat ik haar als therapeut aanbood. Juist dat bood Amber de veilige bedding die ze nodig had om zichzelf te kunnen verhelderen.