Symmetrische symbolisering bij kinderen
Een aanvulling op Gendlin’s ‘Experiential Psychotherapy’

B. Santen en G.Koopman

Uit: Tijdschrift voor psychiatrie, 1975, nr. 10-11, Jaargang 17

 

Inleiding

De theorievorming betreffende de intra- en interpsychische processen van cliënt en kindertherapeut staat nog steeds in de kinderschoenen. Naast de zich op een uitputtend verklaringssysteem baserende kinderanalyse melden ook andere therapeuten - client centered, existentialistisch - persoonlijkheidsveranderingen bij hun cliëntjes. Hierbij voorzien ze ons overvloedig van case-histories. Ze stellen zich echter te onrechte tevreden met verklaringsconcepten als groeimotivatie, vertrouwen e.d. Ook als men niet aan de intrapsychische processen refereert, zoals in de gedragstherapie, waarbij men zich uitsluitend op observeerbaar gedrag baseert, kampt men met soortgelijke problemen: een techniek als ‘emotive imagery’ inhibeert angst bij kinderen, maar hoe? Verwijzing naar reciproke inhibitie van vegetatieve verschijnselen lijkt onvoldoende (12). Tevens blijven daarbij optredende persoonlijkheidsveranderingen onverklaard.

Het onderhavige artikel beoogt aan te tonen, dat de theoretische bijdrage van E.T.Gendlin tot het verklaren van persoonlijkheidsveranderingen ook voor de kindertherapeut een bruikbaar model kan zijn. We menen namelijk, dat psychodynamisch georiënteerde theorievorming wellicht de beste perspectieven kan ontlenen aan een poging, aansluiting te vinden bij het concrete ervaringsproces van het kind. Een dergelijke psychodynamische opvatting is door Gendlin (2) uitgewerkt voor volwassenen. In overeenstemming hiermee zullen we psychische onaangepastheid definiëren als het

verliezen van contact met het innerlijk ervaringsproces, waarbij de neurose en de psychose als gradueel verschillende blokkeringen van de ervaringsstroom beschouwd worden. Tevens zullen we nader ingaan op de ontwikkeling, de stagnatie en het weer op gang brengen van het ervaringsproces bij kinderen. Dit alles heeft belangrijke implicaties voor de interventies van de kindertherapeut, welke we hier ten dele zullen operationaliseren tot de symmetrische symboliseringstechniek. Eerst zullen we echter een aantal fundamentele theoretische begrippen van Gendlin introduceren, daarna toelichten aan de hand van een therapie met een 9-jarige jongen.

Het ervaringsproces

In het denken van Gendlin zijn twee duidelijke invloeden te onderscheiden. Zijn filosofie is sterk verweven met het existentialisme, terwijl zijn therapeutische opvattingen zonder meer zijn afkomst uit de Rogeriaanse traditie verraden. Men zou kunnen stellen, dat de wijzigingen die Gendlin in het Rogeriaanse denken heeft aangebracht een aanpassing aan existentiële opvattingen zijn. Allereerst willen we nu een korte uiteenzetting geven van de hiaten en tegenstrijdigheden die Gendlin constateerde in de theorie van Rogers (2).

I. De eerste onvolkomenheid die Gendlin signaleerde duidt hij aan met de term inhoudsparadigma. Volgens Gendlin waren de traditionele persoonlijkheidstheorieën niet in staat om veranderingen in de persoonlijkheid te verklaren. De persoonlijkheid zou zijns inziens in deze theorieën bestaan uit statische inhoudelijke elementen, iets wat niet verandert: ‘What is called personality maintains its character despite circumstances’ en ‘our theories have been endeavouring to explain and define personality as that which tends not to change, when we would expect change’ (2). Een dergelijk model is slechts bruikbaar om te beschrijven hoe een persoon is in het heden. Men kan veranderingen tijdens een therapie niet verklaren door beschrijvingen van de toestand voor en na de therapie in termen van zelf-concept, incongruentie, ervaring en meer van dergelijke begrippen. Als een theorie zoals de psycho-analyse een persoonlijkheidsstructuur postuleert die uitsluitend samengesteld is uit zulke statische elementen als psychische ‘inhouden’, dan is volgens Gendlin verandering niet te verklaren.

II. Het tweede voor de traditionele theorieën onoplosbare probleem vat Gendlin samen onder de term verdringingsparadigma. Volgens Rogers kan een toestand van afweer en een krampachtig georganiseerd zelf-concept worden gerelaxeerd door de houding van de therapeut. Gendlin wijst deze verklaring van de hand. Hoe kan namelijk een zelf-concept minder rigide worden, als ervaringen die bijvoorbeeld incongruentie bewust moeten maken, ontkend of vervormd worden? Het verdringingsmechanisme verklaart wel waarom iemand blijft zoals hij is, maar om te verklaren waaróm iemand verandert kan men niet volstaan met te vermelden dat het wordt opgeheven, gerelaxeerd.

Gendlin erkent wel het belang van feitelijke constateringen die aan het verdringingsmechanisme ten grondslag liggen. Hij wil echter juist een theoretische formulering vinden die recht doet aan deze feitelijke constateringen en bovendien een adequate beschrijving en verklaring van het veranderingsproces mogelijk maakt.

Het basisbegrip dat Gendlin hanteert is experiencing: ‘. . .the process of concrete, bodily feeling, which constitutes the basic matter of psychological and personality phenomena’ (2). Dit concrete, lichamelijk aanwezig, intern differentiëerbaar gevoel, dat lichamelijk doorleefd kan worden. Een specifieke interne differentiatie is een functie van de interactie tussen een doorleefde betekenis

(‘felt meaning’) en specifieke symbolen in de buitenwereld. Wanneer een kind de gevoelens over zijn moeder probeert te expliciteren, dan zullen zich andere aspecten van zijn ‘felt meaning’ manifesteren als hij tegelijkertijd bezig is met een hamer op een stuk hout te slaan, dan wanneer hij met een beer in de armen naar buiten kijkt. Woede, machteloosheid, intens verdriet, een gevoel verwerpelijk te zijn, dit alles kan zich differentiëren vanuit eenzelfde ‘felt meaning’. Gendlin beschouwt ‘experiencing’ dus als een interactieproces, namelijk tussen je beleving van de wereld, welke preconceptueel is, en objectiveerbare zaken, die een symboolfunctie vervullen. Deze symboolfunctie bestaat uit verwijzen naar het concrete, lichamelijk doorleefde gevoel met behulp van woorden, dansstappen, beelden, reacties van anderen, etc., waar dit gevoel nooit door vervangen kan worden. Gendlin noemt dit gevoel ook wel het rechtstreeks verwijzingsgegeven (‘direct referent’). Dit verwijzingsgegeven heeft een bepaalde doorleefde betekenis. Men kan deze impliciete betekenis door middel van genoemde symbolen expliciteren en zo tot een expliciete betekenis komen, welke - zoals reeds aangeduid - slechts een symbolisering van een bepaald aspect van de impliciete betekenis is. Een volwassene voelt dit zelf ook aan. In hoeverre een kind bij verbalisering van een bepaalde ‘felt meaning’ evenals een volwassene kan voelen dat dit het toch niet helemaal is wat hij bedoelt, blijft een open vraag.

Een belangrijke constatering hierbij is, dat het impliciet zijn van een ‘felt meaning’ niet inhoudt dat ze ’onbewust’ zou zijn. Ze is immers duidelijk aanvoelbaar in al haar betekenis-aspecten in het bewustzijn aanwezig.

Gendlin vat - zoals vermeld - deze symbolisering van een impliciete betekenis op als interactieproces.

Elke symbolisering in de vorm van een symbool of een set symbolen draagt een eigen betekenis met zich mee, kan een eigen ‘felt meaning’ oproepen. Na een symbolisering is de oorspronkelijke ‘felt meaning’ anders geworden, er is een nieuwe ‘felt meaning’ ontstaan. Gendlin noemt dit ‘carrying forward’. Dit ‘carrying forward’ is een sleutelbegrip voor het verklaren van veranderingen, en daarmee een oplossing voor het ‘inhoudsparadigma’ en het ‘verdringingsparadigma’.

Wanneer een ‘felt meaning’’ nooit (meer) in bepaalde aspecten wordt gesymboliseerd is het ervaringsproces ‘structuurgebonden’. Een chef die zijn ondergeschikten alleen maar als opstandig kan ervaren, wanneer deze bepaalde aspecten van het werk ter discussie stellen, zal deze opgeroepen ‘felt meaning’’ steeds op dezelfde wijze symboliseren. Een kind, dat bij het zien van een groep spelende kinderen alleen maar een moedeloos gevoel krijgt en daarop reageert met een zich terugtrekken in een boek, beleeft zo’n situatie op een structuurgebonden wijze. Het ervaringsproces vormt dan een ‘frozen whole’, het komt slechts met bepaalde inhoudelijke termen tot uiting. Dergelijke verschijnselen etiquetteert men doorgaans als neurotisch. Bij een sterker optreden van ‘frozen wholes’ spreekt men wel van psychotisch gedrag. Hierbij ontbreekt in hoge mate een zelf-proces, d.w.z. de persoon kan zichzelf moeilijk responsen verschaffen die ‘carrying forward’ zouden bewerkstelligen. ‘The individual then loses both his sense of self and his capacity to respond to and interpret present events appropriately’ (2). Een vergelijking met het begrip depersonalisatie ligt hier voor de hand.

Wordt een ‘felt meaning’ nu op een andere, nieuwe manier gesymboliseerd, bijvoorbeeld doordat de therapeut in plaats van mee te gaan met de zich opdringende inhoudelijke aspecten van een over monsters pratende cliënt inspeelt op de impliciete betekenis van ‘zich gevangen voelen’’, dan ontstaat er een nieuwe ‘felt meaning’. We spreken nu van een reconstitutie van een bepaald aspect van het ervaringsproces, omdat dit aspect weer (voor het eerst) gesymboliseerd is. De hiermee gepaard gaande inhoudelijke verschuivingen vormen slechts een ‘bijprodukt’ van deze reconstructie, zijn maar een aspect van de nieuwe ‘’felt meaning’’. De cliënt zal de ‘’felt meaning’ van ‘zich gevangen voelen’, die zich nu o.a. anders inhoudelijk manifesteert, verder symboliseren en daarmee differentiëren. Gendlin ziet het reconstitutieproces als hiërarchisch. Slechts als door reconstitutie bepaalde ervaringsaspecten weer procesmatig zijn gaan functioneren, kan ook reconstitutie van andere structuurgebonden aspecten plaatsvinden.

Deze reconstitutie van het ervaringsproces, waar de therapeut actief naar streeft, wordt door hem bereikt door zijn verwijzen naar de ‘felt meanings’ van de cliënt, waarbij de therapeut zijn eigen ervaringsproces expliciet als uitgangspunt hanteert. Derhalve kan men het functioneren van de therapeut zien als een deel van een interactieproces, dat wil zeggen niet als een louter spiegelen van de gevoelens van de cliënt, zoals Axline en aanvankelijk ook Rogers nastreefden, maar als een wederzijds onbelemmerd communiceren van de gevoelens die het samenzijn oproept (7). De rol van de therapeut bestaat dus uit het geven van responsen die reacties zijn die de cliënt zichzelf nooit geeft, enerzijds omdat zijn zelf-respons een ‘whole frozen structure’ is, of anderzijds omdat dit reacties zijn die mensen nu eenmaal alleen elkaar - maar niet zichzelf - kunnen geven.

Het bovenstaande vormt de kern van Gendlin’s verklaringsmodel voor persoonlijkheidsverandering. De belangrijkste techniek waarmee je dit bij volwassenen kunt bereiken is het ‘focusing’, waaronder het gehele proces verstaan wordt dat het individu in staat stelt zijn aandacht te richten op het directe verwijzingsgegeven van het ervaringsproces. Focusing laat zich beschrijven als een vier-fasisch proces, waarbij beoogd wordt de cliënt te laten komen tot een zich direct en abrupt afwenden van praten en denken naar de doorleefde versie van een probleem door ‘zich opzettelijk stilte houden, zijn aandacht naar binnen richtend (…) en dan en slechts dan en daar laten komen wat komt’ (5). Als gevolg van ‘focusing’ kan een verschuiving van de ‘felt meaning’ ontstaan, waarop gefocust kan worden. Enzovoorts. Zo komt een cyclisch proces op gang, het ‘self-propelled feeling-proces’, dat Gendlin de motor van de therapie noemt en dat ook buiten de therapie voortgaat. Het steeds meer procesmatig functioneren van het ervaringsproces vindt niet uitsluitend geleidelijk plaats. Soms kan door een ‘experiential shift’ de cliënt de wereld heel anders gaan zien.

De vier fasen van het ‘focusing’-proces verlopen als volgt:

Defase bestaat uit ‘direct reference’ naar een bepaald ‘felt meaning’. Volgens Gendlin meest recente opvatting (6) is verbeelding van een globaal diffuus gevoel vaak een belangrijk hulpmiddel om dit gevoel zeer specifiek te maken, Dit proces geschiedt zonder enige verbalisatie. De specifieke ‘felt meaning’ van deze verbeelding verscherpt zich, waarop je soms een ‘experiential shift’ervaart. Dit laatstgenoemde begrip dekt de op ‘direct reference’ volgende fasen van ‘unfolding’, ‘global application’ en ‘referent movement’ van de oorspronkelijke ‘felt meaning’. Temporeel vallen deze fasen vaak samen, zijn te beschouwen als verschillende aspecten van de verschuiving van de beleving. Van ‘unfolding’ (fase 2) spreekt men in geval van een plotselinge ontvouwing, gepaard gaande met intense fysieke opluchting: het gevoel is ineens duidelijk. Hierna is soms al dadelijk verandering in gedragsaspecten merkbaar, er is verandering in de gehele manier van ervaren (fase 3: ‘global application’). De persoon merkt nu, dat de ‘direct referent’ veranderd is, anders aanvoelt

(fase 4: referent movement’).

Na de vierde fase kan de cyclus opnieuw beginnen. In welke (inhoudelijke) richting de ‘referent movement’ plaatsvindt, valt niet te voorspellen. Zoals gezegd kunnen beelden een bepaald gevoel vormen en verscherpen. Het is echter van belang dat na deze verscherping van het gevoel het beeld los wordt gelaten wil men een ‘experiential shift’ bereiken. Het gaat bij het vormen van een beeld niet zozeer om het beeld zelf, maar meer om de ‘felt meaning’ ervan. Is deze er, dan zijn woorden meestal het geschikst om haar verder te doen gaan. Gendlin zegt overigens dat de ‘shift’ die dan volgt met of zonder effectieve woorden kan plaats vinden (6). Maar het is wel duidelijk, dat een ‘shift’ slechts plaats kan vinden als het beeld zelf wordt losgelaten, opgegeven. Voor het bewerkstelligen hiervan speelt bij volwassenen ‘focusing’ een belangrijke rol. In hoeverre kinderen van deze techniek kunnen profiteren, blijft voor Gendlin een open vraag. Hoewel Keelin (10) heeft aangetoond dat een gemodificeerde ‘focusing’-instructie bij kinderen in de latentie-leeftijd dezelfde fysiologische reacties veroorzaakt als bij volwassenen, stelt het met name voor jongere kinderen te hoge eisen aan het vermogen gevoelens verbaal te differentiëren. Bij een operationalisering van Gendlin’s theoretisch model voor gebruik in de kindertherapie zullen nieuwe technieken ontwikkeld moeten worden, waartoe we in dit artikel een eerste bijdrage hopen te leveren. Eerst echter willen we met gebruikmaking van een niet expliciet ervaringsgerichte kindertherapie de principiële toepasbaarheid van Gendlin’s interpretatiekader illustreren.

Enkele opmerkingen over de ontwikkeling van het ervaringsproces bij kinderen

Ook het jonge kind moeten we - evenals ieder ander mens - zien als een persoon met een eigen ervaringswereld, welke ervaringen de basis vormen van zijn gedrag, of, zoals Gendlin zegt, impliciet functioneren. Bij het jonge kind echter is deze ervaringswereld nog ongedifferentieerd. De hierin vervolgens optredende specifieke differentiaties worden overwegend bepaald door (a) de cultuur waarin het opgroeit, zowel op macro- als op micro-niveau (het gezin) en (b) zijn senso-motorische ontwikkeling, welke afhankelijk is van biologische factoren en waardoor het kind in staat is de fysische wereld te verkennen, hetgeen nieuwe symbolisaties en daarmee het differentiëren van bestaande ‘felt meanings’ in beginsel mogelijk maakt. Slechts indien de ‘significant others’ het kind een symboolrijke omgeving verschaffen, hetzij direct door hun eigen responsen, hetzij indirect door het kind de kans te geven de buitenwereld in veel aspecten te exploreren, zal zich een ‘selfproces’ontwikkelen. Met name het laatstgenoemde is van cruciale betekenis voor de noodzakelijke ontwikkeling hiervan. We veronderstellen dat indien de ouders (a) structuurgebonden responsen aan het kind verschaffen of (b) indirect de exploratie van de desbetreffende ervaringsaspecten belemmeren, deze aspecten niet gedifferentieerd of, indien ze dit aanvankelijk wel waren, structuurgebonden raken.

Gendlin spreekt zich hierover niet uit. Deze veronderstelling willen we hier illustreren aan enkele gegevens uit de ‘case-history, welke we in dit artikel zullen interpreteren aan de hand van Gendlin’s theorie. Het bij deze jongen impliciet functionerende gevoel van ’verwerpelijk zijn’ beleefde hij als ‘gek-zijn’, ‘stout-zijn’ en dergelijke. Voor het ontstaan van deze koppeling van ‘gek’ aan ‘stout’ is de rol van de vader in het gezin waarschijnlijk bepalend geweest. Hij voelde zich vaak stout wanneer hij door zijn vader gestraft werd. De momenten waarop zijn vader strafte waren zo onvoorspelbaar, vertoonden voor hem zo’n geringe relatie met zijn eigen gedrag, dat hij het gevoel kreeg zichzelf niet meer te begrijpen. Hij kreeg een ‘raar’ gevoel over zichzelf, en trok daar de conclusie uit dat hij wel een beetje gek zou zijn.

Case-history van Rutger

De belangrijkste therapie-indicatie is het feit, dat Rutger zich in hoge mate afsluit voor anderen en opgaat in irreële en hem sterk beangstigende fantasieën. In de eerste therapeutische contacten maakt Rutger een schuchtere en onzekere indruk.Maar al gauw toont hij zijn preoccupaties met griezelige dingen (sterven, Frankenstein, moord, vuur), waarbij hij soms nogal hevige emoties toont. Ook zegt hij in duivels en spoken te geloven, praat herhaaldelijk over gevangenissen en tuchthuizen en toont een sterke gefascineerdheid tot de dood.

Tijdens de tweede zitting komt een aspect van het centrale thema van ‘verwerpelijk zijn’ naar voren, de angst om raar, zenuwachtig gevonden te worden. Hij tast dit aanvankelijk heel indirect en voorzichtig af, om te kijken hoe de therapeut daarop zal reageren:

R: Ik slaap altijd met een beer in bed, ook al ben ik negen jaar. . . vind ik altijd leuk.

T: Ja, het is fijn he, om met een beer in bed te slapen.

R: Ja, ik slaap met twee beren in bed.

Later brengt hij directer ter sprake door te vragen of hier mensen komen ‘oefenen’ die zenuwachtig zijn. Dit zenuwachtig, gek zijn is voor hem sterk gerelateerd aan stout zijn. Wanneer hij zand op de grond heeft gestrooid (stout is), vraagt hij: ‘Maar zal je nou niet denken dat ik een beetje gek ben?’ Ook dit thema zal later nog vele malen naar voren komen. Het wordt steeds gemakkelijker bespreekbaar en ondergaat allerlei differentiaties. In de 22ste zitting wordt het gek zijn bijvoorbeeld voor het eerst gerelateerd aan degen, die deze opvatting over jou heeft en komt de willekeur ervan tot uiting in een door Rutger gespeeld poppenkastspel.

We willen nu nagaan wat voor betekenissen de aspecten van dit gevoel van ‘verwerpelijk zijn’ in het

specifieke geval van Rutger hadden en hoe deze betekenissen in de loop van de therapie veranderingen ondergingen.

Zoals vermeld is voor het ontstaan van de koppeling van gek aan stout de rol van de vader in het gezin van cruciaal belang geweest. Rutger’s diffuse en hem onzeker makende gevoel raar en stout te zijn symboliseerde hij op structuurgebonden wijze door zichzelf steeds opnieuw bloot te stellen aan bijvoorbeeld griezelfilms, waardoor wellicht in hoge mate een ‘frozen whole structure’ ontstond. Dit resulteerde o.a. in een angstig eraan overgeleverd voelen, welke gevoelens nog versterkt werden door het optreden van niet te stuiten bijverschijnselen (trillen en beven). Ook verschafte hij zich een ‘self response’ door zich gek te gedragen, waardoor hij bij anderen symboliseringen uitlokte welke deze ‘frozen whole structure’ in stand hielden.

Het ingrijpende zevende uur, waarin Rutger zijn agressieve gevoelens uiterst heftig de vrije loop durft te laten, zal een kentering in het therapieverloop inluiden, waarbij voor Rutger nieuwe symboliseringen mogelijk gemaakt worden. Deze symboliseringen betreffen voor het eerst aspecten van zijn eigen machtsbeleving, een teken dat het aanvankelijk alles overheersende gevoel van machteloosheid doorbroken is. Zo zal R. zich nu durven wapenen, zich in - aanvankelijk zeer irreële -

toekomstfantasieën van beroemd te zijn aan zijn trekken te laten komen en zich o.a. veel uitdagender tegenover de therapeut op gaan stellen. Tijdens de volgende zittingen wil Rutger nadrukkelijk een groot deel van de bandopname van de vorige keer beluisteren, waarmee hij een verscherping van zijn ‘felt meaning’ van stout zijn bewerkstelligde, hetgeen in hoge mate gepaard ging met lichamelijke doorleving. De hierdoor op gang gebrachte ontvouwing van het gevoel resulteerde in een ‘experiential shift’.

Band: ‘Je wilt pijltjes tegen de deur gooien’. Rutger kijkt naar de deur wat verwonderd. Hij luistert dan weer aandachtig. Hij vertelt zacht, dat hij zo weer hetzelfde zal doen. Het klinkt niet overtuigend. Hij luistert verder, trilt met zijn hele lichaam. Bij het kruisigen op de band wordt hij zeer aandachtig, moet lachen als hij op de clown inslaat en kijkt me aan (. . .). Zeer gefascineerd luistert hij verder naar het laten bloeden van de man, duwt de microfoon in zijn kruis. Hij is helemaal stil.Als hij op de band zegt, dat hij zijn bril kapot zal slaan, kijkt hij naar mijn bril (. . .). Zo kijkt hij zeer gefascineerd, verwonderd met zichzelf bezig. Als hij mij op de band kapot maakt bijt hij op de microfoon en trekt met zijn schouders. Hij leunt lang achterover en kijkt naar de clown, gaat er dan tegenover zitten en kijkt er enkele minuten geboeid naar. Intussen voelt hij afwezig (als hij op de band in de lip steekt) aan zijn lip. Hij luistert geboeid tot het eind, glimlachend. Hij lijkt er nu van te genieten. Even maakt hij een gooibeweging naar de clown. Hij kondigt hierop met: ‘ja, hupsakee, daar begin ik weer’ een herhaling van zijn ‘vervelen’ (= vervelend zijn?) van de vorige keer aan. Dadelijk na een eerste poging verandert zijn stemming kennelijk. Hij gaat dan over op een rollenspel, waarin hij doorprikt hoe je de schijn van lief zijn naar buiten kunt ophouden: Hij gooit de pop in de hoek. Alle kasten moeten ‘leeggemest’ worden. De dames zullen zeggen: ‘Jonge, jonge, wat een lief jochie heeft dat gedaan’. Met imitatiestem, wat bitter ’wat een aardig jochie is dat, oh, wat is ie toch lief’. Even later spreekt hij met barse stem over kliederen en zegt: ‘Wat voor jongetje heeft dat nou weer gedaan?’.

Voor het eerst is het voor Rutger mogelijk duidelijk te differentiëren tussen stout (of lief) zijn en stout (of lief) gevonden worden, d.w.z. tussen zijn eigen gevoelens en die van anderen ten opzichte van hem. Met het zich kunnen inleven in de rol van anderen boort hij een geheel nieuw scala van symboliseringen aan, die door hun aard de ‘felt meaning’ van zijn gevoel van stout en raar zijn verrijken met het aspect van gerelateerdheid ervan aan de ervaringswereld van een ander. Hiermee is een voorwaarde geschapen voor een authentieker beleven van je eigen handelen en gevoelen (zie ook 11), en derhalve voor het experimenteren met je eigen macht ten opzichte van anderen.

De rol van de therapeut is hier een faciliterende door - in tegenstelling tot hetgeen bij Rutger thuis gebeurde - af te zien van de inhoud van het gebrachte en een voortdurend pogen het ervaringsproces van Rutger te bevorderen door middel van de interactie tussen zijn woorden en Rutger’s gevoel.

Hierdoor wordt de neiging tot het geven van ‘self-responsen’ gestimuleerd, wat tot uiting komt in een groeiend zelfvertrouwen. Dit laatste wordt vaak gezien als antecedente oorzakelijke factor, hier echter uitdrukkelijk als consequent bijprodukt van een zich herstellend vermogen tot het zich verschaffen van ‘self-responsen’.

In de nu volgende periode treden een paar duidelijke veranderingen op. De preoccupaties met griezelige voorstellingen nemen snel af en maken plaats voor de verwoording van onzekerheden omtrent de waardering omtrent zijn gedrag. In de verwarring door het uitblijven van straf na stout gedrag geeft Rutger aan hoe schuld en boete voor hem onlosmakelijk verbonden zijn: van de trap afvallen, met pijltjes het bord niet kunnen raken, dat alles blijft - als je verdiende loon - niet uit. De enige uitweg lijkt hem het bereiken van de onschendbare status van een prins of beroemddheid, welke uitweg niet meer noodzakelijk is, als hij eenmaal onderkent, dat iedereen wel eens stout is en dat stout zijn ook plezierig kan zijn. De genoemde ’referent movement’ van gek (stout) zijn als eigenschap naar gek (stout) zijn als toegeschreven eigenschap symboliseert hij in een poppenkastspel tijdens de 22ste zitting, dat we in het begin reeds hebben genoemd. Het verslag van de therapeut hierover:

Rutger: We gaan in die vijf minuten nog poppenkast spelen.

Hij zingt, is opgewekt. Hij gooit een doek over de poppenkast; ik zit ervoor. De heks wil de prinses stelen, valt haar aan. Jan Klaassen vraagt bars wie de prinses gepakt heeft, waarop hij naar de politie gaat. De politieagent komt. De heks wil de prinses pakken en dan koningin worden. De politieagent pakt de heks beet en ze vechten.

R. (heks): Help, dokter, dokter, der zit een gek . . .

Th.: Een gek? . . . Wat bedoelt U?

R. (heks): Er heeft een heks me in de gevangenis gestopt. Hij wil me morgen doden en mijn kop eraf hakken. Hij zegt dat ik de prinses gepakt heb. Dat is niet waar.

R. (dokter), tegen politieagent: Zo, effe een prik-spuitje, gek.

R. (politieagent): Ik ben helemaal niet gek . . . Ze heeft de prinses ontvoerd. (De dokter prikt, de agent valt voorover).

R. (dokter): Oh, de agent is flauwgevallen, ik heb hem een prik gegeven.

De dokter vraagt de verpleegster om hulp. De politieagent gaat naar het ziekenhuis. De heks weet zich te bevrijden, maar wordt door Jan Klaassen gedood. Er wordt feest gevierd. Rutger zingt. Het klinkt niet echt vrolijk. Hij laat de poppenkast omvallen, ‘en alle poppen zijn dood’. Al daarvoor ben ik erop ingegaan, dat de heks de goede agent een prik kon laten geven door eenvoudig te zeggen dat hij gek is.

Dit thema is nog zo bedreigend, dat Rutger een feest forceert en alle poppen dood laat gaan. Het besef, dat anderen over je lot kunnen beslissen op grond van een - hier zelfs ten onrechte - toegekend etiket, geeft een machteloos gevoel. Dit gevoel echter, dat anderen zo hun macht over je kunnen uitoefenen, wordt minder bedreigend doordat hij ontdekt, dat hij ook zelf die beoordelaar kan zijn. Tenslotte kan hij op een gegevenmoment in de therapie het gedrag van zijn vader ter discussie stellen, zich daarbij afvragen of hetgeen zijn vaders doet stom, abnormaal is, en zelfs thuis velt hij een oordeel over zijn vader door te weigeren hem een kus te geven nadat hij door hem geslagen is en vader de wens kenbaar heeft gemaakt te willen verzoenen.

In dezelfde periode wil Rutger gedurende elke week steekwapens fabriceren (of laten fabriceren) en zwaardgevechten houden, bij welke symbolisaties herhaaldelijk blijkt, dat hij als stekende zichzelf als gestokene ervaart. Dit heeft voor hem mogelijk de betekenis dat opkomen voor jezelf, je laten gelden, gepaard gaat met risico’s zoals het maken van vijanden die je kunnen kwetsen of doden. Rutger, die herhaaldelijk in zijn dromen een steekwapen dreigend op zich af ziet komen, geeft hiermede andere symbolisaties van het gevoel kwetsbaar zijn, zonder dat hij zich hiertegen kan verweren anders dan door deze wapens onzichtbaar te maken. In de therapie schildert hij een door hem gemaakte sfeer zwart en legt dan uit: ‘. . . dan hoef ik er niet bang van te worden, want dan zie je alleen maar zwart, dus . . .’.Rutger komt hierna in een ernstige impasse terecht, die een verandering inleidt, met name tot uiting komend in een groeiend vermogen om de motivatie van anderen te doorgronden bij hun gedachten over hem. Ook blijkt het nu voor hem niet alleen ondraaglijk als over hem heengelopen wordt, tevens echter beseft hij waar en waarin hij zich gekwetst voelt. Waar de ‘shift’ opgetreden is, is ons niet duidelijk, maar het cruciale belang van deze periode bleek uit de intense doorleving zowel thuis als in de therapie. Mogelijk heeft de verwoording en de toespitsing van deze verwarrende ervaringen en de doorleving ervan het ervaringsproces weer op gang gebracht.

De impasse bleek thuis, als vader terwijl Rutger in een spel verdiept is op hem afkomt en een kus wil hebben. Rutger is dan zodanig gestoord in zijn spel, dat hij het opgeeft en het weer uren duurt, voordat hij opnieuw met een activiteit aanvangt.

Tijdens de therapie vertelt Rutger over de mogelijke keuze tussen slapen en niet-slapen, waar hij al nachten achtereen voor staat. Slapen betekent enerzijds uitgeslapen zijn en dus niet als lui, verwerpelijk beoordeeld worden, zowel thuis als op school, anderzijds leidt het steeds opnieuw tot nare dromen (gestoken worden, aangevallen en iets ontnomen worden). Bovendien kun je af en toe slapen en desondanks geen evidentie ervoor hebben als je niet droomt en je dus voor niets zenuwachtig maken uit angst niet te kunnen slapen. Niet slapen ervaart Rutger als nog veel dreigender dan dromen. Hij durft de situatie niet minder ondraaglijk voor zichzelf te maken, omdat het aandoen van het licht z’n marmotje van streek zou maken en hij bovendien geen stroom voor zichzelf durft te gebruiken. Dus ligt hij ’s nachts wakker, bang de volgende dag moe - dus lui, dus verwerpelijk - te zijn. Elke uitweg uit de impasse wijst Rutger in deze zitting als onmogelijk af. Juist omdat Rutger dit probleem met niemand heeft kunnen delen en doordat dit wel tijdens de therapie mogelijk was, heeft dit deze ervaringen misschien van betekenis doen veranderen. Opmerkelijke veranderingen die zich kort na deze toespitsing van Rutger’s problemen voltrokken:

- een vrijwel geheel verdwijnen van dromen en slecht slapen;

- een groter vermogen om de houding die achter de woorden van mensen schuil ging te doorzien en zijn emotionele beoordeling van mensen daarop af te stemmen”: en

- het niet meer kunnen verdragen, dat men hem niet au serieux neemt, waarbij hij zijn verontwaardiging ook specifiek op bepaalde personen richt.

- Hij durft nu, op een wijze die hij vroeger als verwerpelijk voor anderen en daarmee te bedreigend voor zichzelf ervoer, het aan hem voorbijgaan van bepaalde mensen als afkeurenswaardig te beoordelen. Het volgende fragment illustreert dit duidelijk:

R.: En ik . . . mij verwennen ze niet, die gemenerikken.

T.: En zeg je het dan tegen ze?

R.: Ja, maar ze zeggen: ‘jij bent veels te wild om het te doen en meisjes zijn altijd lief . . .. (fel) En weet je, hè, ook al ben ik jarig, moeten zij alles klaarmaken. (Hij slaat bij elk woord hard met de hamer) . . . en dan mag ik niet in de keuken komen, anders moet ik naar bed! Ook al was ik jarig . . . dan hebben ze beloofd dat ik het mag doen en dan komt er een kind en die vraagt of zij het mag doen en dan gaat zij het gewoon doen . . . (. . .) ‘En jou vergeet ik, jou vergeet ik, jou sla ik over’ . . . dan krijg ik niks . . . dan gaan ze dat kind geloven. Ja . . . en dan heb ik ook nog zo’n nare rot oom.

T.: Ook al. Iedereen is gemeen tegen jou.

R.: En de familie Zwart niet zo. Daar stuur ik wel eens een kaart naar (. . .). Maar één familie is daar wel naar van. Nou, dat was een tante Marja, want weet je wat? Die was een keer op bezoek, die heeft een keer iets heel stouts gedaan. Die moest een keer in mijn kamer slapen, want mijn kamer . . . de helft is van mij en de helft is logeerkamer, want ik heb zo’n grote kamer. Dan zegt ze: ‘dat vind ik niet leuk . . . die marmot en alles moet weg en jij ook, want jij maakt veels te veel lawaai’.

T.: En toen moest jij uit je eigen kamer.

R.: Ja.

T.: En jij vindt dat gemeen.

R.: Is het ook (. . . )

T.: En daarom ben je nou kwaad op je vader en moeder, want je zus krijgt wel d’r zin , vind je . . .(ja) . . .Daar ben je wel een beetje jaloers op.

R.:En de familie krijgt altijd zijn zin . . . En de familie van Duyn, uit dat nare Amersfoort. Wat doet die? . . .Ze komen eraan. De kinderen mogen op onze logeerkamer . . .’De volgende keer mag jij op onze kamer’ . . .Ik mijn bed uit, daar moeten die kinderen slapen . . . Nou, kom ik dáár en dan zeg ik: ‘Dan mag ik eens een keer op hem slapen’. . . ‘Nee, jij hebt een slaapzak . . . Wij, het is ons bed.’ Ik vind dat ze tegen die kinderen moeten zeggen: ‘Nu, het is van ons, want wij komen hier logeren’ . . . Maar wacht maar, als ik . . .nee, ik zit al op judo, heb ik expres gedaan (dreigend) en als ik een jaar of veertig ben dan begin ik al die nare ooms en al die neefjes die mij altijd kwaad hebben gedaan . . .

T.: Die zal je dan wel eens

R.: Huh, wam. En weet je wie ook? Mijn moeder krijgt een pak.

Ook in de therapie zien we dat Rutger het niet langer meer kan verdragen niet serieus genomen te worden. Hij kan dan ook als de therapeut zijns inziens nonchalant met zijn werkstuk omspringt verontwaardigd constateren: ‘wat? . . .ja . . .Nou heeft ie hem niet goed gemaakt, en nou denkt ie: ‘och laat die jongen toch’ . . . Tegenover leeftijdgenoten durft Rutger op dit moment nog niet zo’n directheid ten toon te spreiden, daar hij nu sterk bezig is met het verlangen om vriendjes te maken en daarbij nauwelijks risico’s durft te lopen, welke krampachtigheid hij in de hierop volgende groepstherapie geleidelijk zal verliezen. De betekenis van het gevoel ‘verwerpelijk-zijn’ heeft differentiaties ondergaan, in die zin, dat afwijzen van een ander, of van diens gedrag een door ieder, dus ook jezelf, te hanteren wapen is, welke afwijzing ook weer ongedaan gemaakt kan worden.

Als een ‘global application’ van het besef van de wederkerigheid van beoordelingen zien we ook veranderingen in andere attitudes, die tonen, dat hij ook in andere aspecten zijn eigen gevoelens als uitgangspunt neemt en daarop zijn attitudes ten opzichte van anderen baseert: zo waarschuwt hij de therapeut met ‘oh wee, als je nu zenuwen wilt maken’’ als hij het gedrag van hem afkeurt. De week daarop reageert hij, op een interventie van een bejaarde buurvrouw die zij motiveert als behulpzaam-willen-zijn in verband met zijn vermeende ziekte, direct met:’ben ik dan ziek? . . . Ik ben toch oergezond!’

Een half uur later op de rug van de therapeut, ziet hij in de verte kinderen lopen en vraagt zich af:

R.: Als de kinderen me zien, zullen ze me dan uit lachen?

T.: Hoe zou je dat vinden?

R.: Nou, dan vind ik die kinderen maar raar.

Bij de lezer zullen, afhankelijk van zijn theoretische achtergrond, ongetwijfeld andere verklaringsconcepten zijn opgekomen dan die welke wij gebruikt hebben. Zo zal bijvoorbeeld een gedragstherapeut de mening zijn toegedaan, dat de beschreven veranderingprocessen in termen van assertieve training te verklaren zijn. Wij menen, dat een dergelijke interpretatie die slechts gebruik maakt van de inhoudelijke aspecten geen recht doet aan het onderliggende ervaringsproces en met zijn verklaring van het uitbouwen van het gedragsrepertoire door ‘social learning’ fundamentele persoonlijkheidsverandering niet adequaat kan verklaren (inhoudsparadigma). We zien dan ook een rollenspel niet louter als een methode om nieuw gedrag aan te leren, maar als een nieuwe symbolisering en daarmee differentiëring van een (bestaand) gevoel, waardoor ‘shifts’ worden bewerkstelligd. De aldus ontstane nieuwe ‘’felt meanings’ worden inhoudelijk in termen van gedrag gesymboliseerd. Maar deze gedragsveranderingen zijn slechts aspecten van een voortgaand ervaringsproces.

Emotive imagery en symmetrische symbolisering

De door Gendlin bij volwassenen gebruikte ‘focusing’-techniek is met name voor jonge kinderen minder geschikt. Een ‘focusing’-procedure stelt met name hoge eisen aan het vermogen zich te concentreren op de gevoelsstroom en het vermogen gevoelens verbaal te differentiëren. Dit maakt het noodzakelijk alternatieve technieken te ontwikkelen die bij kinderen een soortgelijk effect kunnen bewerkstelligen. Gendlin c.s. hebben hier geen systematisch onderzoek naar gedaan. Hij stelt alleen de vraag op welke leeftijd kinderen het vermogen tot ‘focusing’ ontwikkelen en wanneer dit vermogen eventueel weer teloor zou gaan, welke vraag hij overigens geheel openlaat (5). Dit bracht ons ertoe zelf op zoek te gaan naar een vervangende techniek. Hierbij viel ons op, dat drastische persoonlijkheidsveranderingen werden geconstateerd na een kortdurende ‘emotive imagery’ (12), welke ons inziens leertheoretisch niet adequaat verklaard konden worden. Terwijl de techniek namelijk gericht was op het elimineren van specifieke fobieën, wezen de zogenaamde persoonlijkheidsveranderingen op ingrijpender effecten, die echter ons inziens met Gendlin’s theorie beter verklaard kunnen worden. De bij ‘emotive imagery’ incidenteel verkregen persoonlijkheidsveranderingen hebben ons als uitgangspunt gediend voor het ontwikkelen van een in dit opzicht therapeutisch effectievere techniek. Na een kritische bespreking van ‘emotive imagery’ zullen we een nadere uitwerking geven van de door ons voorgestelde techniek, welke we symmetrische symbolisering hebben genoemd. ‘Emotive imagery’ is een speciaal voor kinderen ontwikkeld alternatief voor systematische desensitisatie. Beide technieken zijn gebaseerd op het reciproke inhibitie principe. ‘Emotive imagery’ vereist echter geen ontspanningsprocedure en is derhalve in bepaalde gevallen gemakkelijker toepasbaar bij kinderen. Deze techniek wordt als volgt omschreven (12):

Na bepaling van zowel de angsthiërarchie van het desbetreffende kind (a) als de mate waarin bepaalde helden (bijvoorbeeld van strips, tv, film en dergelijke) tot zijn verbeelding spreken en hij er zich mee kan identificeren (b), wordt het kind als volgt geïnstrueerd:

(c) het moet de ogen sluiten en zich een reeks gebeurtenissen inbeelden, welke dicht genoeg bij zijn dagelijks leven staan om geloofwaardig te zijn en waarin een verhaal verweven is betreffende zijn favoriete held of alter ego;

(d) indien dit met aanzienlijk empathie gepaard gegaan is, is het mogelijk de affectieve reacties in voldoende mate op te wekken; we signaleren hierbij soms kleine veranderingen in gelaatsuitdrukking, ademhaling, spierspanning en dergelijke;

(e) bij maximale opwekking van deze emoties wordt als duidelijk onderdeel van het verhaal het laagste item van de hiërarchie geïntroduceerd. Indien angst optreedt wordt de fobische stimulus weer verwijderd en wordt een nieuwe poging gedaan. Deze procedure wordt herhaald met successieve invoering van steeds hogere items uit de angsthiërarchie, als het vorige item geen angst meer oproept.

Lazarus en Abramovitz maken melding van eclatante successen met deze techniek bij negen kinderen van 7 tot 14 jaar, in die zin, dat niet alleen de fobische symptomen al na enkele zittingen verdwenen, maar dat tevens in meerdere gevallen diverse positieve implicaties ten aanzien van andere facetten van de persoonlijkheid geconstateerd werden. Dergelijke ingrijpende persoonlijkheidsveranderingen zijn nauwelijks te verwachten indien we er slechts vanuit gaan dat vegetatieve factoren een rol gespeeld hebben, welke de angst teniet gedaan hebben.

Terwijl de geïnduceerde met angst concurrerende gevoelens zeer algemeen als werkzaam beschreven worden vanwege hun ‘plezierige’ karakter, blijkt uit de cases dat veel specifiekere gevoelens geïnduceerd worden zoals ‘feeling a thrill of pride’, ‘having a wonderful feeling of being in perfect control’, het beschermen van iemand anders door hem gerust te stellen of door het goede voorbeeld te geven op het gebied waarop het kind zelf fobisch is, en dergelijke. Kortom een gevoel van zelfbeheersing, eigenwaarde, een gevoel dat ook een ander op je kan rekenen. Samen met het feit dat het induceren van deze gevoelens empathisch moet gebeuren wijst het meer specifieke karakter ervan op verwijzing naar de doorleefde betekenissen, hetgeen alternatieve verklaring inhouden van de vermelde fundamentele persoonlijkheidsveranderingen. Deze effecten zou men, uitgaande van het gedragstherapeutisch kader incidenteel kunnen noemen. Om deze effecten systematisch te kunnen bewerkstelligen achten we de als systematische symbolisering benoemde therapeutische interventies adequater.

Teneinde aan te sluiten bij het ervaringsproces van het kind zal de therapeut - voor zover mogelijk - moeten afzien van het manipuleren van gevoelens. Hij zal dan ook niet, zoals bij ‘emotive imagery’,

aan het begin van de zitting de genoemde fasen (a) tot en met (d) doorlopen, maar in de loop van de therapie, uitgaande van een door het kind gebrachte belangrijke beleving die gepaarde gaat met angst - wat impliceert dat het ervaringsproces in dat aspect structuurgebonden is - ingaan op de nog impliciet functionerende aspecten ervan. Als een kind bijvoorbeeld de moeilijkheid van het overwinnen van problemen regelmatig uitbeeldt door een tractor in de zandbak te laten stranden in steeds grotere barrières, dan tracht de therapeut deze strijd op verschillende manieren - uitgaande van zijn eigen beleving hiervan - zo accuraat mogelijk te verwoorden. ‘Hoe hij zijn best ook doet, steeds loopt hij weer vast’, of: ‘het schijnt ook iedere keer te moeten mislukken’, waarbij ook de stemintonatie en mimiek bijdragen tot de symbolisering van de ‘felt meaning’ die dit bij de therapeut oproept.

De therapeut kan nu bemerken, dat door deze directe verwijzing een intensivering van de ‘felt meaning’ ontstaat, in die zin, dat een eerst vaag gevoel, thans bij het kind concreet voelbaar aanwezig is, hetgeen zich vooral lichamelijk manifesteert. Tijdens het op zo’n moment op gang komende proces van reconstitutie bij het kind kan het gevoel van onontkoombaarheid doorbroken, de oorspronkelijke ‘felt meaning’ anders geworden zijn. Het kind kan echter op deze nieuwe ‘felt meaning’ nog geen ‘self-response’ verschaffen. Bij de therapeut zal dan wellicht, op grond van zijn beleving van het gedrag van het kind, een interventie opkomen, die niet langer een reflectie is van een gevoel van machteloosheid. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk, dat bovengenoemd kind door resoluut de tractor weer vlot te trekken de therapeut brengt tot de opmerking: ‘stel je voor . . . met een flinke klap er doorheen, dát zou fijn zijn!’ Gesteld dat de therapeut hier mee een impliciet functionerend aspect van deze nieuwe beleving gesymboliseerd heeft, dan kan naast het aspect van ‘erin vast zitten ’tevens een aspect van ‘het mislukken minder onontkoombaar maken’, met daaraan verbonden positieve triomfbeleving tot uiting komen. Op deze wijze is de ‘frozen whole structure’ doorbroken. We vermoeden, dat waar de beleving zich uit door symboliseringen met behulp van materiaal, deze techniek het meest effectief gebruikt kan worden. Door een bepaald belevingsaspect te induceren bij de pop, de chauffeur van de tractor en dergelijke, en dus niet bij het kind zelf, behoudt het kind namelijk de vrijheid het verband al dan niet met de eigen belevingswereld te leggen. Sluit de bijdrage van de therapeut bij de doorleefde betekenis aan die het kind op het moment heeft, dan zal ‘carrying forward’ optreden. Is dit niet het geval, dan zal het gevaar dat het kind zich afwendt van de doorleefde betekenis geringer zijn dan wanneer de therapeut een misinterpretatie geeft van de gevoelens van het kind zelf. Een dergelijke ‘take it or leave it’-houding van de therapeut maakt zijn relatie met het kind symmetrisch, in die zin, dat hij niet degene is die weet en verwoordt wat er in het kind omgaat, maar dat hij als een compagnon zijn bijdrage levert aan het spel waar het kind mee bezig is, welke bijdrage al dan niet geaccepteerd en gebruikt kan worden. Dit betekent niet, dat de therapeut maar lukraak suggesties doet en verder afwacht wat het kind ermee doet. Integendeel, hij zal zoveel mogelijk proberen bij de ervaringswereld van het kind aan te sluiten en daarmee de kans vergroten dat zijn bijdrage in het spel opgenomen wordt en zodoende ‘carrying forward’ zou kunnen effectueren. De therapeut gebruikt hierbij de ‘duiding’ als een heuristisch principe, een leidraad bij het zoeken naar adequate responsen en onderkent dat hij ernaast kan zitten. Dit credo staat centraal in Gendlin’s opvatting over de therapeutische attitude. We menen dat bovenstaande operationalisatie mogelijkheden biedt om het ook in de kindertherapie te verwezenlijken. De gehele constellatie, waarin de symbolisering van het ervaringsproces via bijvoorbeeld speelgoed verloopt en de responsen van de therapeut eveneens via dat speelgoed daarmee interacteren is therapeutisch effectief. Zij bevordert dat men mèt het kind speelt en dus mèt hem een ervaringsproces op gang brengt of houdt (zowel bij de therapeut als bij het kind), in plaats van dat er een nieuwe ‘’frozen whole structure’ ontstaat doordat de woorden van de therapeut als absoluut - tot onontkoombare conclusies leidend - worden ervaren.

Over de schrijvers

Bart Santen (1945) studeerde ontwikkelingsleer aan het Psychologisch Laboratorium van de Universiteit van Amsterdam, sinds 1974 psycholoog-kindertherapeut op ‘De Mark’, psychotherapeutisch centrum voor kinderen, jeugdigen en gezin (Medisch centrum

‘De Klokkenberg’), Breda (hoofd¨G.Bonroy, psychiater).

G.Koopman (1950), studeert Algemene Methodenleer aan het Psychologisch Laboratorium van de Universiteit van Amsterdam, verricht thans onderzoek naar het diagnostisch besluitvormingsproces.

Vermelde case-studie werd uitvoerig doorgesproken met drs.L.Berger, psycholoog-psychotherapeut ‘De Mark’.

 

Literatuur

1 Baas, H., G.Koopmans en B.Santen, Persoonlijkheid als proces: een verkenning van E.T.Gendlin’s experiëntiële psychotherapie. Doctoraalscriptie Universiteit van Amsterdam 1974

2 Gendlin, E.T., A theory of personality change. P.Worchel en D.Byrne (Eds.), Personality change. New York, 1964

3 Gendlin, E.T., Existentialism and experiential psychotherapy. C.Moustakas (Ed.), Existential child psychotherapy. New York, 1966

4 Gendlin, E.T., Values and the process of experiencing. A.Mahrer (Ed.), The goals of psychotherapy. New York, 1967

5 Gendlin, E.T., Focusing. Psychotherapy: theory, research and practice,

vol. 6, 1, spring 1969, 4-15

6 Gendlin, E.T. en L.Olsen, The use of the imagery in experiential focusing. Psychotherapy: theory, research and practice, vol. 7, 4, winter 1970, 221-224

7 Gendlin, E.T., A short summary and some predictions J. T. Hart & T. M. Tomlinsoon (Eds.), New directions in client-centered therapy. New York. 1970, 544-562

8 Gendlin, E.T., Experiential psychotherapy. R.Corsini (Ed.). Current therapies,

Itasca, 1973, 317-352

9 Halberstadt-Freud, H. C., Facetten van de psychoanalytisch georiënteerde kindertherapie, J. de Wit e.a. (Eds.), Psychologen over het kind II. Groningen. 1971, 193-215

10 Keelin, P.W., Galvanic skin response correlates of different modes of experiencing: a study with children. Psychotherapy: theory, research and practice, vol. 10, 3, fall 1973, 231-233

11 Laing, R.D., The politics of experience and the bird of paradise. London, 1967

12 Lazarus, A.A. en A.Abramovitz, The use of ‘emotive imagery’ in the trreatment of children’s phobia’s. Journal of mental science, 1962. 97-105

13 Moor, W.de en J.W.G.Orlemans, Inleiding tot de gedragstherapie. Deventer. Tweede herziene druk, 1972

14 Rogers, C.R.(ED.), The therapeutic relationship and its impact. Madison, 1967

15 Santen, B. en G. Koopmans, Gendlin’s ‘experiential psychotherapy’: een ervaringsgerichte houding in de therapie met kinderen. Interne publikatie (75-1) Psychotherapeutisch Centrum ‘De Mark’, Breda, 1975

16 Verhelst-Custers, A., Een ervaringsgerichte houding bij de opvoeding van kinderen. Samenspraak. Hove, dec. 1970