Home > Focusing and ... > Psychotherapy > Articles > Het ervaringsniveau als therapeutische variabele
Home > Nederlands > Het ervaringsniveau als therapeutische variabele

Het ervaringsniveau als therapeutische variabele

Marion N. Hendricks, Ph.D.

Eerder verschenen in:
PERSON-CENTERED REVIEW, Vol. 1 No 2, mei 1986, 141-162
© 1986 Sage Publications, Inc.

Vertaling 1987 Mevr. A. Santen-Post
Herziene vertaling 2000 Erna de Bruijn

In dit artikel wordt specifiek materiaal aangeboden uit transcripten van sessies. Dit kan therapeuten helpen om te herkennen wanneer cliŽnten een regelrecht aangevoelde, maar nog impliciete ervaring (Experience) hebben. De waarneembare kenmerken van een Hoog Experiencing (EXP)-proces, vastgesteld met behulp van het onderzoekmiddel 'de EXP-Schaal', worden belicht om specifieke aanwijzingen te geven voor klinische interventies en trainingsprocedures voor therapeuten. Een bepaald soort therapeutische respons die verwijst naar het impliciete wordt duidelijk gemaakt, en ook het verschil dat zo'n respons maakt voor de daaropvolgende respons van de cliŽnt. Voor de therapeut is de kunst om een respons op het impliciete te geven eerder een kwestie van empathie dan van een juist inzicht in het inhoudelijke of de emotie.

Marion N. Hendricks studeerde aan de Universiteit van Chicago en volgde daar ook haar cliŽntgerichte opleiding. Ze was medeoprichter van CHANGES, een therapie-netwerk waar ze cliŽnten, studenten en therapeuten opleidde in luisteren en focussen en waar ze deelnam aan het ontwikkelen van studie-materiaal. Ze werkte in het Post-Graduate Center for Mental Health in New York City en daarna als opleider van psychotherapeuten in het New York State Hospital System. Daar trainde ze de klinische staf in het vaststellen van het essentiŽle in therapeutische processen. Ze is tien jaar lang faculteitslid geweest van de Illinois School of Professional Psychology. Momenteel is ze directeur van The Focusing Institute in New York.

Inhoudsopgave:

Inleiding en overzicht

Onderzoek met betrekking tot Experiencing

Het Experiencing-proces

Klinische voorbeelden van Laag, Gemiddeld en Hoog EXP-niveau

Transcripten:

Laag EXP-niveau

Gemiddeld EXP-niveau

Hoog EXP-niveau

          Bespreking:

Laag EXP-niveau

Gemiddeld EXP-niveau

Hoog EXP-niveau

Implicaties van de EXP-variabele voor de klinische praktijk

* Therapeut onderkent het proces van Hoog EXP-niveau bij de cliŽnt niet

* Het bevorderen van een proces van Hoog EXP-niveau bij de cliŽnt door de therapeut

* Vaag en toch aanwezig

* Herkenning van aanvallen van binnenuit op het proces

Vriendelijke Attitude

Conclusie

Literatuur

 

Noten van de vertaalster:

 

Inleiding en overzicht

In dit artikel zal ik aan de hand van korte therapiefragmenten laten zien welk deel van een verbale uiting van een cliŽnt, als men daarop ingaat, tot therapeutische verandering kan leiden. Client-centered therapeuten reageren op 'gevoelens', maar het is niet altijd duidelijk wat hiermee bedoeld wordt als men kijkt naar wat de cliŽnt gezegd heeft. Theorie en onderzoeksgegevens betreffende 'Experiencing' kunnen bijdragen aan het specificeren van datgene waar men op in kan gaan, ook al is dat nog niet duidelijk waarneembaar.
Het begrip 'Experiencing' (EXP; Gendlin, 1962, 1981, 1984) verwijst naar datgene wat de cliŽnt in het hier en nu ervaart, maar wat nog impliciet is
. Men voelt 'iets', maar men weet nog niet wat het is. Bij een proces dat hoog scoort op de "Experiencing Scale" richt de cliŽnt zijn aandacht regelrecht op dit impliciete gevoel en maakt zo een verbale expressie van dat gevoel mogelijk. Dat is een stap in de richting van therapeutische verandering. Bij een proces dat lager scoort op de "Experiencing Scale" kan het gebeuren dat de cliŽnt dit aanvankelijk vage gevoel niet waarneemt en blijft steken in rationalisaties of steeds terugkerende emoties.

 

Onderzoek met betrekking tot Experiencing

Een EXP-schaal (Klein, Mathieu, Gendlin en Kiesler, 1970) die deze variabele operationaliseert, bleek in een aantal studies te correleren met succesvolle therapieresultaten. (Meer dan 100 studies worden vermeld in Research Basis of Focusing-Oriented/Experiental Psychotherapy, een uitgebreide versie van een hoofdstuk in Research Bases of Humanistic Psychotherapy, Cain, David and Seeman, American Psychological Association, 2000.)

 

Het Experiencing-proces

Tot voor kort (Mathieu-Coughlan en Klein, 1984) was alleen bij de bewerkers van onderzoeksresultaten bekend hoe een succesvolle aanpak van therapeut en cliŽnt eruitziet in een transcript. De aandachtspunten op de schaal leiden niet alleen tot specificiteit in het onderzoek, maar maken een al even specifieke training en praktische toepassing mogelijk. De EXP-schaal geeft aan waar de cliŽnt, impliciet, zijn uitgangspunt en zijn innerlijke leidraad heeft. Daar bespeurt de cliŽnt even iets waar nog geen woorden of beelden voor zijn. Er is een aanvoelen van iets in z'n geheel dat niet expliciet is. De therapeut zal zulke kansen willen oppakken en erop ingaan. Therapeuten en cliŽnten begrijpen vaak inhoud en emoties heel goed, maar merken zo'n impliciete 'leidraad' niet op of wandelen eroverheen. In de transcripten zal ik telkens deze 'leidraad' zichtbaar maken en ik zal het verschil tussen impliciete ervaring en expliciete inhoud en emoties duidelijk maken.

Men neemt vaak aan dat men alleen maar kan gissen naar alles wat de cliŽnt niet expliciet uitdrukt. Als dat zo zou zijn, zou een interpretatie nodig zijn. Maar de impliciete betekenis van wat er in de cliŽnt omgaat is regelrecht ervaarbaar, daar hoeft men niet naar te gissen. Deze komt wel degelijk tot uitdrukking, en wel door het speciale taalgebruik en ook door de stiltes die daarin vallen. In dit artikel zullen we hier nader op ingaan.

 

Laag EXP-niveau

Het begrip EXP verwijst niet naar de inhoud van datgene wat iemand vertelt, maar naar de manier waarop iemand met zijn of haar ervaring omgaat. Of de cliŽnt nu praat over herinneringen, over fantasieŽn, of over de relatie tot de therapeut - elk van deze inhouden kan op een hoog of een laag ervaringsniveau worden beleefd. Op een Laag EXP-niveau vertelt de cliŽnt over innerlijke of uiterlijke gebeurtenissen zonder expliciet te refereren aan de lichamelijk gevoelde betekenis van het moment. We kennen allemaal wel cliŽnten die alleen maar vertellen wat er sinds de laatste sessie is gebeurd. Ze doen geen enkele poging om de impliciete persoonlijke betekenis van een gebeurtenis aan te voelen of te exploreren. Het proces voelt vlak en statisch aan. Mensen die een psychotisch proces doormaken op een Laag EXP-niveau functioneren net zo; zij vertellen alleen maar over de innerlijke gebeurtenissen, beelden en inhouden van hun waanideeŽn of hallucinaties.'Uit-ageren' is ook zo'n Laag EXP-proces - de persoon zet de betekenis die iets voor hem heeft, in gedrag om zonder dat hij het belang ervan ervaart.

 

Gemiddeld EXP-niveau

Bij een Gemiddeld EXP-niveau kan de cliŽnt op zijn minst enkele emoties benoemen en misschien ook in termen van persoonlijke samenhangen over gebeurtenissen denken, maar er is geen sprake van 'focussen' op een lichamelijk ervaren gevoel.

 

Hoog EXP-niveau

Bij een Hoog EXP-niveau praat de cliŽnt over de impliciete betekenis van een gebeurtenis. Dat is dan geen speculatieve poging om een mogelijke betekenis te verzinnen of te reconstrueren.
Ook is het geen kwestie van herkenbare emoties, hoe intens deze ook mogen zijn. Men spreekt over impliciete betekenis als een concreet lichamelijk gevoel ten aanzien van een situatie als geheel. Gendlin noemt dit een 'felt sense'. Er liggen geen woorden voor klaar, het is een lichamelijk voelbaar geheel dat in het begin niet duidelijk is. Als een cliŽnt, die duidelijk ergens mee aan het worstelen is, zegt: 'Het is zo moeilijk in woorden uit te drukken', dan ervaart hij een 'felt sense'. De cliŽnt is zich bewust van een 'iets' dat lichamelijk voelbaar is. Maar dat 'iets' heeft nog geen woorden of beelden. Wat het betekent is nog niet expliciet.

Op een Hoog EXP-niveau 'focust' de cliŽnt op deze 'felt sense', en woorden die er precies bij passen 'brengen het in beweging', 'veranderen het', zodat de cliŽnt zegt: 'Oh ja, dat is het!' Deze 'voelbare' verandering gaat gepaard met lichamelijke opluchting - een diepere ademhaling, tranen, een zucht.

Zo'n ervaring waarbij men merkt dat er iets opengaat wat lichamelijk voelbaar, maar nog onbekend was, is een stukje therapeutische verandering. CliŽnten die hoog scoren op de EXP-schaal hebben zulke kleine veranderingsstappen tijdens hun sessies. We vinden dat de 'goede' cliŽnten. De specificaties die we met behulp van het EXP-niveau kunnen maken, stellen ons in staat om precies vast te stellen, waarům zij dat zijn.

Deze drie niveaus zullen in het volgende gedeelte aan de hand van voorbeelden worden toegelicht. De kenmerken ervan zullen nauwkeurig beschreven worden, zodat de therapeut deze variabele op de voet kan volgen en er zo goed mogelijk op in kan gaan.

 

KLINISCHE VOORBEELDEN VAN LAAG, GEMIDDELD EN HOOG EXP-NIVEAU

De volgende drie fragmenten zijn voorbeelden van een Laag, een Gemiddeld en een Hoog EXP-niveau.

 

LAAG EXP-NIVEAU

Op een dag belde hij (de dokter) me op en zei: 'Ik ben bang, dat ze niet lang meer zal leven. Het verspreidt zich als een bosbrand'. Ze konden niet alles te pakken krijgen. Het was te laat. Zo was dat dus, weet u. Ze raakte in coma, het duurde nog drie of vier maanden. Al met al heeft het vanaf de tijd dat ze ziek werd zowat twee jaar geduurd. Toen hij haar geopereerd had, zei hij: 'Het verbaast me, dat het nog zů lang geduurd heeft'. We wisten niet dat de ziekte teruggekomen was. Er was niets van te merken. Maar het heeft er al die tijd gezeten. Kunt u zich dat voorstellen?

 

GEMIDDELD EXP-NIVEAU

A. en ik... hebben tijdens de lunch ongeveer twee uur over zijn probleem zitten praten. En ik heb tot dan toe nooit geweten dat hij over zijn toekomst als wetenschapper zo somber en wanhopig was. Hij zei: 'Je zult het niet geloven Pa, maar het is meer dan zes maanden geleden dat ik een reageerbuis in mijn handen heb gehad'... en toen ik dat hoorde was ik heel erg van streek door wat hij had gezegd, omdat dit een heel serieus gesprek was, en het ging over iets wat voor mijn gevoel te maken had met een beslissing die hij moest nemen over zijn werk en zijn huwelijk, die allebei op het spel stonden... Ik zei: 'Maar A., denk je niet, dat J., als iemand haar uit zou leggen hoe hopeloos de situatie is, ervoor zou kiezen om jou meer ruimte voor je onderzoek te laten...' En het was even stil, en toen schudde hij zijn hoofd, en zei: 'Zij zal nooit veranderen'. En toen hij dat zei, voelde ik dat hij zijn besluit al had genomen .. liever een scheiding dan verdergaan... Ik voelde me totaal verbijsterd, omdat ik wist dat ze veel van elkaar hielden, ik wist dat ze nog jarenlang een goede relatie zouden kunnen hebben als zij het maar zou kunnen begrijpen.

 

HOOG EXP-NIVEAU

Het is bijna alsof ...het voelt alsof... of ik hier een fotoalbum zit door te bladeren. En het is alsof elke foto van mij die daarin staat ťťn van mijn prestaties voorstelt. En ik denk (onverstaanbaar) omdat ik niet voor mezelf presteerde. Ik leverde mijn prestaties altijd voor ... iemand anders, zodat ze me goed genoeg zouden vinden. Het is alsof het goed voelt om te zeggen ... dat .. ik weet niet precies hoe ik het uit moet drukken... het is alsof het gevoel er is, maar of ik de woorden ervoor nog niet helemaal kan vinden. Op de ťťn of andere manier voelt het goed om te zeggen dat het is alsof ik deze man bij wijze van uitdaging gekozen heb ... terwijl ik wist, dat ik niet tegen hem opkon. Dat deze persoon niet op dezelfde manier op mij zou ingaan. Zodat ik om zo te zeggen zo in mijn fotoalbum kon zien hoe ik de mist in was gegaan. Ik had niet wat ik had moeten hebben (T: uhhum) om te krijgen wat ik wilde. En dat is een soort van...

Wanneer men deze fragmenten naast elkaar legt, kan men de verschillen zien.

 

LAAG EXP-NIVEAU

Laten we het eerste fragment nauwkeurig bekijken in termen van onze variabele. De therapeut krijgt een verhaal te horen over een reeks gebeurtenissen: het ziektebeloop van de vrouw van de cliŽnt, haar dood, en wat de dokter erover zei. Er worden veel details over die gebeurtenissen verteld. Kenmerkend voor een Laag EXP-niveau is dat het geŽxternaliseerd wordt. De therapeut krijgt van alles te horen over van buitenaf waarneembare situaties. Ieder ander die op de hoogte zou zijn van die situatie zou dezelfde informatie kunnen geven. Men krijgt niets te horen over innerlijke processen. Er worden weinig of geen persoonlijk getinte opmerkingen gemaakt. Ondanks de zeer pijnlijke inhoud van het verhaal vertelt de cliŽnt niets over zijn gevoelens omtrent die gebeurtenissen, of de persoonlijke betekenis die die gebeurtenissen voor hem zouden kunnen hebben. Men zou zich kunnen voorstellen dat hij boos is op de artsen, en dat hij zich beroofd, verdrietig en eenzaam voelt nu hij zijn vrouw verloren heeft. Maar daar vertelt hij niets over. Hij komt nog het dichtst bij zijn gevoelens als hij zegt: 'Kunt u zich dat voorstellen?' Men kan hierin een onderdrukte shock en woede en pijn horen. Ook kan men zich hier afvragen wat hij zou voelen als hij deze uitspraak verder zou kunnen doorleven. 'Hoe is het mogelijk dat zoiets afschuwelijks zomaar, zonder waarschuwing, zonder enig teken vooraf, kon gebeuren?'. 'Het is verschrikkelijk als je niets kunt doen om iemand te redden van wie je houdt'. 'Ik ben woedend dat ze de verkeerde diagnose hebben gesteld.' Maar hij gaat nergens in op dit soort innerlijke details.

De therapeut kan niet weten wat de dood van zijn vrouw eigenlijk voor hem betekent. Men krijgt een indruk van de moeite die deze cliŽnt met zijn gevoelens heeft, als hij vertelt hoe de dokter hem op de hoogte stelde van de fatale aard van de ziekte. Midden in dit ongetwijfeld erg verdrietige verhaal zegt hij: 'Zo was dat dus, weet u'. Het is alsof hij, op het punt waarop er een gevoel zou kunnen doorbreken, vlak wordt of zich van het gevoel distantieert, net of hij wil zeggen: 'Er is niets meer dan dat; ik heb alles verteld wat er te vertellen valt'. Hij sluit zich ervoor af, loopt weg van het bredere, impliciete gevoel dat die hele situatie hem zou kunnen geven. Het lijkt erop dat hij niet wil huilen of kwaad worden, of ook maar iets van een lichamelijk gevoel over die hele situatie wil toelaten.
De gebeurtenissen worden beschreven alsof ze onbetekenend, vanzelfsprekend zijn. Als er al gevoelens worden onderkend, dan worden ook die gezien als duidelijk, vanzelfsprekend, ze zijn gewoon wat ze zijn. Er is niet het gevoel dat er, wanneer men stil zou staan bij de totale lichaamsbeleving ten aanzien van een bepaalde situatie, nieuwe en specifieke betekenissen zouden kunnen opkomen die de beleving van de situatie zouden kunnen veranderen. Men krijgt het gevoel dat de beleving van deze man vele jaren lang geblokkeerd zal blijven, niet geuit zal worden, en hem zal blijven pijnigen totdat de tijd de scherpe kantjes eraf heeft gehaald.

Wanneer een cliŽnt op een Laag EXP-niveau vertelt, maakt hij voornamelijk gebruik van de verleden tijd. Hij vertelt over wat er gebeurd is zonder dat er iets gebeurt met zijn beleving ervan in het hier en nu.

Samenvattend kunnen we zeggen dat een Laag EXP-niveau de volgende kenmerken heeft:

1.       Gebruik van de verleden tijd.

2.       Verslag van uiterlijke gebeurtenissen.

3.       Gebeurtenissen of emoties worden beschreven op een vlakke manier, alsof ze vanzelf- sprekend zijn.

 

GEMIDDELD EXP-NIVEAU

In het tweede fragment krijgt de therapeut een verslag van een gebeurtenis - het gesprek van deze man met zijn zoon. Een deel daarvan zou afkomstig kunnen zijn van een bandopname van hun interactie. Hij beschrijft hoe ze bij elkaar zaten, wat ze deden en wat er gezegd werd: 'Hij zei... en toen zei ik...' Toch is er een verschil met het eerste fragment. Deze man maakt melding van zijn gevoelens over het gesprek en de situatie van zijn zoon: 'Ik was heel erg van streek door wat hij had gezegd...' 'Ik voelde me er totaal door verbijsterd...' Bij een Gemiddeld EXP-niveau komt er af en toe in het verhaal een terloopse vermelding van de indrukken, gevoelens en eigen innerlijke beleving van de cliŽnt. We krijgen er enig idee van, wat de gebeurtenissen die hij beschrijft hem doen.

Maar verwijzingen naar wat iets voor hem persoonlijk betekent blijven in de schaduw van de verslaglegging. Elk van deze uitspraken - en dat is typerend - vertoont de structuur: 'Ik voelde me X omdat...', en wat er dan volgt, slaat meer op de zoon dan op de vader. 'Ik was van streek omdat ze allebei (het huwelijk en de carriŤre van zijn zoon) op het spel stonden.' 'lk was verbijsterd omdat ze van elkaar hielden, ze zouden een harmonieuze relatie kunnen hebben.' Men krijgt niet te horen wat het is dat hem van streek maakt in verband met de situatie van zijn zoon. Wat is het in die eventuele scheiding dat hem zo raakt? Dat is iets wat de therapeute niet weet en ook niet kan weten, tenzij ze hem ertoe kan brengen dat hij van binnen het totale gevoel rond die situatie gaat verkennen, het gevoel dat hij 'van streek zijn' noemt. Wat is het precies dat hem zo van streek maakt? We kunnen er weer naar gaan raden: het doet hem pijn om aan te moeten zien dat zijn zoon lijdt. Hij vreest dat de carriŤre van zijn zoon in gevaar zal komen omdat hij het succes van zijn zoon nodig heeft om zich via zijn zoon belangrijk te voelen. Als de zoon voor zichzelf gaat opkomen en gaat scheiden, zal dat misschien bepaalde vragen met betrekking tot het eigen huwelijk van de vader oproepen, hoe hij teveel van zichzelf heeft ingeleverd door daarin te blijven hangen. Dit zijn natuurlijk pure speculaties. We kunnen niet weten wat er in feite allemaal meespeelde in het 'van streek zijn' dat deze vader voelde bij het luisteren naar het geworstel van zijn zoon. Het is heel goed mogelijk dat de cliŽnt zelf, zelfs als we het hem zouden vragen, ons niet zou kunnen vertellen wat zijn gevoel van 'van streek zijn' nu allemaal inhield, of tenminste niet meteen. Hij zou ons waarschijnlijk eerst een of ander voor de hand liggend antwoord geven. 'Ja, iedere ouder zou toch geschokt zijn als hij het huwelijk van zijn kind zag mislukken. We willen toch het beste voor onze kinderen?' Of een ander 'verstandig', 'voor de hand liggend' gebruikelijk antwoord (en natuurlijk zou dat in zekere zin ook waar zijn). Iemand die op dit Gemiddelde EXP-niveau functioneert, is niet gewend zijn aandacht te richten op de lichamelijke beleving van een situatie en daarbij te blijven zodat die de kans krijgt zich kenbaar te maken.

Evenals in fragment ťťn wordt hier gebruik gemaakt van de verleden tijd. Zelfs als er gevoelens worden genoemd is het een verslag van wat er toen gevoeld werd. Er is op dit moment geen verder beleven van de probleemsituatie.

 

Een Gemiddeld EXP-niveau heeft de volgende kenmerken:

  1. Het is voornamelijk een beschrijvend verhaal over gebeurtenissen.
  2. Er wordt melding gemaakt van wat iets voor de persoon betekent, maar en passant, zonder dat men er dieper op ingaat.

 

HOOG EXP-NIVEAU

Fragment drie geeft een voorbeeld van een proces op een Hoog EXP-niveau. Er worden bijna geen gebeurtenissen verteld. Het is zelfs niet duidelijk waarover de cliŽnt praat in termen van tijd, plaats en gebeurtenis. Er is alleen een korte, vage aanduiding van 'een persoon', die 'niet op haar in wil gaan'. Dit is precies het tegenovergestelde van fragment twee. De gebeurtenissen zijn ondergeschikt aan de innerlijke exploratie, die in het centrum van de aandacht staat. Als men de inhoud van ieder fragment zou moeten samenvatten, zou men kunnen zeggen: fragment ťťn: 'dood van zijn vrouw'; fragment twee: 'van streek door de scheiding van zijn zoon'. Maar wat moeten we over het derde fragment zeggen? De eerste twee gaan over iemand anders. Dit gaat over de cliŽnte zelf, over haar eigen zoeken naar innerlijke betekenis. Het hele proces gaat over haarzelf.

Bij de andere twee fragmenten kan men nog gissen naar wat de impliciete betekenis is, maar hier kan men er zelfs niet naar raden. Ze is bezig op een niveau waarop het proces voor de persoon zelf uniek en specifiek is. De volgende stap kan alleen voortkomen uit haar totale beleving van wŠt het ook is waar ze mee bezig is.

Ten tweede staat een groot deel van dit fragment in de tegenwoordige tijd, bijvoorbeeld: 'het is bijna alsof ...'; 'het voelt alsof ...'; 'alsof het gevoel er is'. Als ze de verleden tijd gebruikt, is het om een gevoel onder woorden te brengen dat ze nog steeds beleeft.

Ten derde is ze niet bang om iets in zich op te laten komen: een beeld, een zin die staat voor het hele gevoel van iets. 'Wat er naar boven komt... wat er bij me opkomt...'. Ze is in staat om vanuit haar momentane beleving iets op een nieuwe manier te laten opkomen. Dit zien we ook als ze zegt: 'Ik weet niet precies hoe ik het uit moet drukken... het is alsof het gevoel er is, maar of ik de woorden ervoor nog niet helemaal kan vinden... op de een of andere manier voelt het goed om te zeggen...' Ze heeft een op dit moment aanwezig concreet gevoel, maar in cognitieve zin 'weet' ze nog niet wat het is. Woorden (of beelden) laat ze direct vandaaruit opkomen (enig vermogen om iets te 'laten' opkomen is iets gemeenschappelijks bij therapeutische veranderingsprocessen, ongeacht het model, bijv. vrije associaties, actieve imaginatie, Gestalt). Als er zoiets opkomt, leert ze iets over zichzelf waar ze tevoren geen woorden voor had. Ook wordt haar proces gekenmerkt door pauzes wanneer ze haar aandacht richt op het lichamelijk voelbare, maar nog niet in woorden te vangen gevoel, en wacht tot er symbolen uit opkomen (in plaats van te proberen om in te vullen of te bedenken wat het moet zijn). Ze moet zoeken naar woorden die precies bij deze beleving 'passen'. Deze lichaamsbeleving is specifiek voor deze persoon. Clichťs en meer alledaags taalgebruik schieten hier tekort. Ze verzint metaforen om precies die specifieke kwaliteit van de beleving te pakken te krijgen. Metaforen kenmerken zich in het taalgebruik door: 'het is alsof...' (je ogen sterren zijn). Zij gebruikt de taal op die manier als ze zegt: 'het voelt alsof... (er ontstaat een pauze als ze naar woorden zoekt en deze laat opkomen) ik hier een fotoalbum zit door te bladeren'.

 

Samenvattend: de cliŽnt die hoog scoort op de EXP-schaal vertoont de volgende specifieke, objectief waarneembare kenmerken:

  1. Het gaat vooral om een innerlijke exploratie van wat er aan persoonlijk gevoelde betekenis is. Naar gebeurtenissen wordt alleen verwezen om vandaaruit innerlijk het hele lichamelijke gevoel rond een situatie na te gaan.
  2. Er wordt gebruik gemaakt van de tegenwoordige tijd.
  3. Er zijn pauzes waar iemand stilhoudt om woorden of beelden vanuit de felt sense te laten opkomen.
  4. Er worden metaforen gebruikt: 'Het voelt alsof...'
  5. Men gebruikt de taal om te verwijzen naar het impliciete: 'het', 'dat', of 'iets', dat voelbaar is maar nog onbekend.

 

Implicaties van de EXP-variabele voor de klinische praktijk 

De therapeut die met deze variabele vertrouwd is, kan op ieder moment de kant van het impliciete opgaan. Daartoe zijn er verschillende soorten therapeutische respons.

Ten eerste kan de cliŽnt geholpen worden om bij de felt sense te blijven stilstaan als de therapeut merkt dat de cliŽnt spreekt vanuit zo'n impliciete beleving van een situatie. De cliŽnt is dan zoekend, aarzelend aan het worstelen om iets te beschrijven waar nog geen woorden voor klaar liggen. De therapeut wacht rustig af, terwijl de cliŽnt probeert het preverbale, preconceptuele gevoel van de situatie helder te krijgen (er symbolen voor te vinden) of terwijl hij vandaaruit spreekt, al kan hij dat gevoel-zelf nog niet duidelijk omschrijven. De therapeut die er niet op bedacht is, kan deze aarzelende manier, de stiltes, de aanvankelijke vaagheid aanzien voor weerstand, verwarring of een improductief proces. In plaats van de cliŽnt te helpen om bij de felt sense te blijven, kan de therapeut gaan proberen het proces te verhelderen en tenslotte uitkomen bij alleen maar een intellectueel begrijpen.

De therapeut kan de Laag EXP-cliŽnt ook helpen om dit niveau van 'ergens mee omgaan' te vinden door regelrecht instructies te geven of door focusinstructies te integreren in het verloop van het therapieproces (zie Gendlin, 1984).

De volgende verslagen geven verschillen weer tussen therapeuten die deze variabele al dan niet kennen.

 

Therapeut onderkent het proces van Hoog EXP-niveau bij de cliŽnt niet

In het volgende verslag onderkent de therapeut-in-opleiding de EXP-variabele niet.

C.  Uhh.... het is  helemaal weg.... en toch, het lijkt me net .... net of  er .... of er iets onder zit, maar ik weet niet wŠt .... en 't is net of ik zo'n beetje weet wat het is .... ik zou me Šnders kunnen voelen, ik weet niet. Maar het is nu maar vaag.

T. Goed ..... Als het nou eens een beetje duidelijker was. Als jij de oorzaak nou eens kon vinden .... je denkt echt dat jij er dan iets aan zou kunnen doen. Maar op 't ogenblik kan je er geen vinger achter krijgen waar het probleem nou echt om draait. 

C.  Uhh .... en .... dat .... nu je dat zegt, is het net of .... daar kan ik zo kwaad om worden, omdat ik best weet .... nou ja, dat ik intelligent ben. Ik kan de dingen op een rijtje zetten. En toch .... toch weet ik verdomme niet wat er nu met me aan de hand is.

De cliŽnt zit hier in een proces met een Hoog EXP-niveau. In haar eerste zin geeft ze letterlijk een beschrijving van focussen op een felt sense, '(Er is) iets .... maar ik weet niet wŠt'. Ze voelt heel concreet de aanwezigheid aan van iets in z'n geheel, maar het is impliciet. Ze weet nog niet wat er in dit gevoel schuilgaat. Zo'n impliciet gevoel wordt aanvankelijk vaak als 'vaag' ervaren.

Het heeft nog geen scherpe, duidelijke, expliciete vorm. De mogelijkheid van iets nieuws, een of andere verandering, doet zich alleen voor als iemand werkt in direct contact met dat wat niet bekend is. De cliŽnte kan aanvoelen dat dit 'iets' dat ze voelt, als het expliciet zou worden, haar hele beleving zou kunnen veranderen of enige opluchting zou kunnen brengen. Let op de kenmerken van het Hoge EXP-niveau: pauzes, niet in staat zijn om meteen woorden te vinden, het gebruik van 'iets' om te verwijzen naar wat er is, zonder het voortijdig van een etiket te voorzien of vast te leggen.

De therapeut reflecteert het gevoelsniveau van wat er in woorden is gezegd. Zijn respons is niet onjuist. We kunnen bij iedere zin van hem zien, waar hij op reageert. 'Een beetje duidelijker' en 'de oorzaak vinden' refereren beide aan 'als ik wist wat het was'. Zijn 'er iets aan kunnen doen' refereert aan 'vaag'. Maar ieder woord van enige betekenis dat de therapeut gekozen heeft ('duidelijk', 'de oorzaak vinden', 'er iets aan doen', 'waar het probleem nou echt om draait') is gesloten, expliciet, 'duidelijk'. Zijn boodschap lijkt wel: 'Hou nu eens op zo aarzelend en vaag te zijn... laten we de oorzaak ontdekken en benoemen en het probleem oplossen'. De therapeut lijkt behoefte te hebben aan een steviger, meer expliciet probleemoplossend proces.
Hij loopt weg van het impliciete in deze respons.

Vaak wordt de therapeut door de cliŽnt gezien als iemand die macht en deskundigheid bezit. Wanneer er moeilijkheden in de interactie zijn, zoals in dit geval, kunnen cliŽnten gaan denken dat er iets mis is met hen. De meeste cliŽnten zouden zich waarschijnlijk op een vage manier op hun nummer gezet voelen zonder te weten waarom, ze zouden hun poging opgeven om de felt sense van dit thema helder te krijgen en overstappen op een meer cognitieve, probleemoplossende, speculatieve benadering, of ze zouden zich akelig voelen omdat ze denken dat ze iets stoms gezegd hebben. Gelukkig is deze cliŽnte enigszins in staat om vast te houden aan haar experiŽntiŽle respons, nadat ze aanvankelijk ingestemd heeft met datgene wat de therapeut zegt. Maar ze ziet niet dat het probleem eigenlijk op een therapeutische misser berust. Ze verdedigt zich tegen zijn impliciete boodschap dat ze op cognitief niveau niet goed genoeg functioneert: 'Ik ben intelligent', 'Ik kan de dingen op een rijtje zetten'. Het is te merken dat ze is overgestapt op het cognitieve referentiekader van de therapeut: 'op een rijtje zetten', en dat ze haar eigen, oorspronkelijke felt sense: 'het is net of... ... ik zou me Šnders kunnen voelen' heeft losgelaten. 

Een tweede valkuil voor therapeuten is dat ze de cliŽnt proberen te 'helpen' door te gaan invullen en gissen naar wat dat lichamelijk beleefde 'iets' zou kunnen zijn. Op andere momenten zou men terecht een interpretatie of een hypothese aan kunnen bieden, maar niet op het moment waarop de cliŽnt zijn of haar ervaring nu juist aan het aftasten en differentiŽren is. Dat is voor de therapeut een moment om zijn of haar eigen angstige gevoelens rond stiltes, beheersing en prestaties binnen te houden. Niemand anders dan de cliŽnt zelf kan een woord (of beeld, of gebaar) verschaffen dat precies de complexe, preverbale beleving rond die situaties weergeeft of verder helpt. Er zit zo veel in een felt sense wat enkel en alleen met die speciale persoon te maken heeft. Het is de som van alles wat er aan unieke betekenis in de situatie zit voor dit individu op dit moment.

Hoe zou de therapeut in dit fragment gereageerd hebben als hij het Hoge EXP-niveau van de cliŽnt had herkend? Hij had kunnen zeggen: 'Je kunt daar iets voelen ..' Of 'Je kunt het daaronder voelen ...'. Een therapeut kan een onbepaald voornaamwoord gebruiken, dat naar het impliciete verwijst zonder het te benoemen of vast te leggen. De therapeut zou dan erkennen en reflecteren dat de cliŽnt een 'direct referent' aangeeft, een 'iets' dat deze concreet voelt. Hij zou kunnen zeggen dat noch de cliŽnt, noch hijzelf op dit moment weet wat het is. Op die manier zullen ze er beiden hun aandacht op richten zodat er woorden uit op kunnen komen.
Een paar minuten later in dezelfde sessie vindt er een herhaling van de bovengenoemde interactie plaats. Maar hier is de respons van de therapeut beter, en daardoor kunnen we nog wat nader ingaan op wat een therapeutische respons is. 

C. Net of, eh... of ik me bijna voel of ik in mezelf opgesloten ben of iets wat... Het is moeilijk om het gevoel te beschrijven... Alsof... alsof dat nooit beter zal worden... En ik denk dat... zoals u zei... dat er geen licht aan het eind lijkt te zijn, en dat ik op dit moment niets kan zien... of, tenminste, ik kan geen licht zien (8 sec).

T. Er zit een element van... van... hopeloos in dat wat u zegt. Misschien is dat te sterk uitgedrukt, maar toch iets van dat u niet direct hoop hebt op het oplossen van uw... gevoelens en frustraties van dit moment (20 sec).

C. Nou... Op dit moment ziet het er tamelijk hopeloos voor me uit... Maar toen u dat zei, kwam er iets in me op... ik voelde me ergens kwaad... misschien hopeloos, maar niet hulpeloos... alsof het me steekt, wanneer iemand denkt dat ik hulpeloos ben omdat... zelfs al ziet het er op dit moment hopeloos uit... Alsof ik niet altijd in staat ben geweest om te vechten en dingen uit te werken voordat... voor mezelf... Maar als... Ik weet het niet - ergens in mij is er iets... er is iets dat heel erg... veel pijn doet... (12 sec. stilte)... En alsof mijn reactie daarop is dat het me allemaal niks kan schelen... (snikt).

Ook hier vertoont haar eerste zin de kenmerken van een Hoog EXP-niveau: ze pauzeert, maakt gebruik van metaforen: 'bijna alsof ik in mezelf opgesloten ben'. Ze moet zoeken naar woorden die kunnen weergeven wat ze voelt: 'Het is moeilijk te beschrijven'.

De therapeut reageert wel op het gevoelsmatige element met zijn woord 'hopeloos', maar lijkt ook nog steeds een cognitief vooroordeel te hebben ('element', 'oplossen', 'frustraties'). En waarom reageert de cliŽnt eigenlijk zo negatief op het woord: 'hopeloos'? 

Ten eerste komt de therapeut met zijn eigen woord, in plaats van dicht bij de woorden van de cliŽnt te blijven. Als ze op een Hoog EXP-niveau functioneren, kiezen cliŽnten hun woorden heel zorgvuldig. Ze proberen elk woord of iedere zin vanuit de felt sense te laten opkomen. Daarna vergelijken ze dat zorgvuldig met de felt sense om te zien of dat het precies dekt (of in beweging brengt, of openmaakt). De cliŽnte worstelt om precies de goede woorden te vinden voor deze gevoelskwaliteit: 'in mezelf opgesloten', ' nooit beter zal worden', 'kan ik niets zien'. Het zou een betere respons zijn om deze sleutelwoorden te herhalen, samen met haar te kijken naar die 'moeilijk te omschrijven' gevoels-kwaliteit. 

Ten tweede simplificeert de therapeut teveel. Hij probeert, in ťťn woord dat algemeen gebruikelijk is voor een bepaalde emotie, iets samen te vatten wat de cliŽnte op een veel gedifferentieerder manier ervaart.

Ten derde, als men een woord of een zin wil aanbieden, moet men die als een vraag formuleren of als een mogelijkheid opperen: 'Zoiets misschien?' De therapeut moet ook van de metaforen gebruik maken om naar het impliciete te verwijzen. Hij had misschien zoiets kunnen zeggen als: 'Jezťlf opgesloten?' CliŽnt en therapeut moeten woorden gebruiken om iets aan te roeren. Als bepaalde woorden geen respons vanuit de felt sense teweeg brengen (een dergelijke respons wordt ervaren als een verandering in het lichaam), laten zowel therapeut als cliŽnt ze weer vallen. 

Ten vierde, elke keer dat iemand een lichamelijk voelbare ervaring probeert te verwoorden vindt er in die persoon een proces plaats. Bij een proces met een Hoog EXP-niveau hoort een verandering in een positieve richting. Het is op zich al een soort verandering. Zelfs al geeft de cliŽnte uiting aan haar gevoel van hopeloosheid, toch spreekt er een hoopvolle manier van leven juist uit haar bereidheid om zich op dat gevoel te richten, om te zoeken naar waar het om draait, het open te laten gaan. De therapeut reageert wel op de hopeloosheid die uit haar verhaal spreekt, maar mist wat er op dat moment gaande is. 

'Alsof het me steekt als iemand denkt dat ik hulpeloos ben' slaat waarschijnlijk zowel op de therapeut als op andere mensen in haar leven. Haar commentaar: 'Er is iets dat heel erg ... veel pijn doet' is waarschijnlijk een poging om terug te keren naar waar ze gebleven was en ook naar de pijn die ze in deze interactie heeft opgelopen. Men zou kunnen veronderstellen dat deze cliŽnte zit met conflicten ten aanzien van afhankelijkheid, grenzen, om hulp kunnen vragen, en onafhankelijkheid. Maar als men nu, op dit moment, op deze hypothesen zou gaan voortborduren, zou men het proces van de cliŽnte tot stilstand brengen ten gunste van een door de therapeut gecreŽerd probleem. Het is de inadequate respons van de therapeut die op dit moment deze kwestie heeft voortgebracht. Natuurlijk is hij er zich niet van bewust wat hij aan deze moeilijkheid heeft bijgedragen. 

Deze voorbeelden tonen een paar van de problemen die kunnen optreden door de ongevoeligheid van een therapeut voor de variabele van het EXP-niveau. Zelfs voor heel intuÔtief ingestelde therapeuten is het nuttig om dat proces bewust te onderkennen en te signaleren. 

 

Het bevorderen van een Hoog EXP-niveau bij de cliŽnt door de therapeut

In mijn volgende fragment functioneren zowel de cliŽnte als de therapeute op een Hoog EXP-niveau. Dit fragment is het vervolg van het eerder genoemde voorbeeld van een Hoog EXP-niveau (zie paragraaf: Hoog EXP-niveau). Het illustreert het veranderingsproces dat mogelijk wordt als een therapeut vertrouwd is met de EXP-variabele. 

C. Tja. Ik denk het wel. Dat denk ik omdat... deze persoon niet erg toegankelijk voelt. Maar toch niet zo ontoegankelijk dat het helemaal niet kan. Dus het lijkt wel of ik steeds maar blijf proberen uit te vinden wat ik... voor hem beteken... en steeds maar opbots tegen: 'Ja, ik vind je aardig, maar...'

T. Goed. En hoe zit dat met: 'Ja, ik vind je aardig, maar...' Is dat het? Past dat precies bij het hele gevoel?

C. Ja, dat is het precies. Ja, precies.

T. 'Ik vind je aardig, maar...'

C. Dat is wat ik voel bij: als mijn moeder 'me aardig vond'. Dat we wel iets met elkaar hadden. Ik vind je aardig, maar... Maar er ontbrak altijd iets aan. Eťn of andere grote fout die zo verschrikkelijk was dat ze daardoor niet echt van me kon houden.

T. Niet echt van je kon houden. Het was altijd min of meer onder voorbehoud.

C.  Ja... het voelt als zo'n pijnlijke plek (de cliŽnte begint te huilen). En ik moest altijd... ik moest altijd uitblinken, anders hield ze niet van me.

Via enige stappen op een Hoog EXP-niveau vindt er een innerlijke verandering en bevrijding plaats. Ze komt tot de kern van wat ze voelde, en deze 'felt shift' is lichamelijk. Dit wordt ervaren in bevrijdende tranen, maar het had ook kunnen komen in de vorm van een zucht, of een lachbui - de een of andere onwillekeurige deblokkering van het hele lichaam.

De therapeute licht de kernzin van de cliŽnte eruit: 'Ik vind je aardig, maar...' en vraagt haar om dit af te tasten en te kijken of het werkelijk haar hele impliciete gevoel met betrekking tot deze relatie raakt. Ik noem dit een 'focus-reflectie' tijdens de eerste respons. De therapeute richt de respons op wat nog impliciet is: 'dekken deze woorden het helemaal?' De cliŽnte vergelijkt het weer met haar felt sense en bevestigt het: 'Ja', die zin dekt inderdaad de gevoelskwaliteit van de relatie met deze man. Ze voelt iets specifieks in haar lichaam gebeuren als ze deze zin zachtjes tegen zichzelf zegt. De therapeute helpt haar om in direct contact met de felt sense te blijven. Deze zin brengt haar daarmee in verbinding, is er een 'handvat' voor. De felt sense 'komt in beweging' als ze dit zegt. Dit brengt nieuw materiaal met zich mee, een herinnering. De therapeute reikt weer iets aan door de belangrijkste woorden van de cliŽnte te herhalen. Dan komt 'pijn' naar boven.

Dat ze in de tegenwoordige tijd spreekt, vertelt ons dat ze een aspect van haar verleden in het nu ervaart. Het is kenmerkend voor een Hoog EXP-niveau dat materiaal uit het verleden op een nieuwe manier opkomt. De samenhangen worden in het hier en nu aangevoeld, niet deductief 'gereconstrueerd'. Ze kan nu voelen dat ze een oud patroon in de relatie met haar moeder aan het herhalen is in de relatie met haar huidige partner. Ze bespeurt nu de onderliggende overeenkomst. Als iemand het zů voelt, kan er een verandering op gang komen.

De cliŽnte is hier niet alleen maar bezig met het 'ontladen' of 'herbeleven' van een pijnlijke herinnering. Ze gaat verder en laat dat hele gevoel van 'pijn' zelf aan het woord: 'ik moest altijd uitblinken'. De ontlading, in dit geval het huilen, vindt altijd binnen een context plaats. Het gaat niet om de emotie-zelf. De cliŽnte 'zakt' niet in het gevoel 'weg', 'ageert' het niet 'uit', voelt zich ook niet in die emotie gevangen. Ze laat het gevoelde van dat hele 'iets' dat ze op het spoor is gekomen tot ontplooiing komen.
Wat uit een dergelijk proces tevoorschijn komt is meestal nieuw, zowel voor cliŽnt als therapeut. 

Het gevoel van de cliŽnte dat ze voor haar moeder 'altijd uit moest blinken' kan ook op een afgeleide manier betrekking hebben op de cliŽnt-therapeut-interactie van dit moment. De cliŽnte doet haar best - en dat is op de band te horen - om tegemoet te komen aan de behoefte van de therapeute om haar taak tot een goed einde te brengen. Deze structuur is pijnlijk voor haar en is een herhaling van haar vroegere interactie met haar moeder. Maar zelfs binnen deze moeilijke context wordt het mogelijk dat deze pijn tot het bewustzijn doordringt, dankzij het feit dat de therapeute de kunst verstaat om in te gaan op de impliciete, directe ervaring. Als die eenmaal duidelijk is geworden, kan het heel goed gebeuren dat de cliŽnte zich ervan bewust wordt dat ze zich nu, in deze interactie net zo voelt - als dat tenminste het geval is. 

Het volgende fragment van een therapiezitting geeft nog een voorbeeld van een therapeute die een Hoog EXP-niveau bij haar cliŽnte bevordert. De cliŽnte heeft gemerkt dat ze bang is voor de aanstaande ontmoeting met haar ex-echtgenoot.

 

C.1 ... Maar waarom in godsnaam word ik zo bang? Ik bedoel, ik word al ziek als ik eraan denk dat ik hem moet ontmoeten. Ik krijg het gevoel dat ik op de een of andere manier onder druk kom te staan. Zoals... zoals toen ik vandaag met hem belde; hij zegt: 'Ik heb je echt gemist. Ik heb me eenzaam gevoeld zonder jou'. Zou je niet denken dat dat me juist goed zou doen?

T.1 Je zegt dat je het als druk voelt. Kun je voelen wat voor soort druk dat is?

C.2 Ik weet niet. Ik bedoel... ik... ik heb het gevoel, dat... dat hij me iets zou kunnen laten doen dat ik niet wil, of zoiets. Wat zou hij me nou kunnen laten doen, dat ik niet wil? Ik weet het niet.

T.2 Zullen we nou eens even rustig kijken of je dat kunt voelen? Het voelt als druk, alsof je iets zou kunnen doen wat je niet wilt. Waar heeft dat allemaal mee te maken?

C.3 Jemig, ik weet het niet zeker... (diepe zucht)... (lange pauze)... Dit is echt heel raar; weet je, ik dacht even dat... (tranen)... Ik bedoel, wat moet ik als ik hem aardiger ga vinden of zoiets? Of zoiets. Ik weet niet precies (tranen).

T.3 Dat je hem aardiger zou gaan vinden dan je hem wil vinden. 

Bij C.1 stelt de cliŽnte zich een vraag waar ze misschien op zou kunnen focussen. Ze heeft een 'bang' gevoel opgemerkt, en ze begrijpt dat niet. Ze weet nog niet wat dit gevoel allemaal inhoudt. Ze heeft een totale, specifieke lichamelijke beleving rond de aanstaande ontmoeting zonder dat die al de vorm heeft aangenomen van expliciete (gesymboliseerde) aspecten. De zin 'dat ik ... onder druk kom te staan' geeft een beschrijving van de kwaliteit van dit nog vage, maar wel aanwezige gevoel. Maar de cliŽnte ziet onmiddellijk in dat dit hele gevoel geen logische of conventionele betekenis kan hebben. CliŽnten die niet met focussen vertrouwd zijn, stoppen hier vaak en verwerpen dan de felt sense: 'Dat is niet belangrijk', 'Dat is stom', 'Dat is gek'. Ze zetten het van zich af omdat het 'onzin' is. Dan praten ze weer verder over de situatie. 

Bij T.1 loopt de therapeute hier niet in. Ze verwijst naar het onduidelijke gevoel door terug te gaan naar de zin: 'dat ik ... onder druk kom te staan'. Ze vraagt de cliŽnte om in contact te blijven met dat hele gevoel van druk. Dit is een faciliterende respons. Om te beginnen heeft de therapeute gemerkt welke van de woorden van de cliŽnte echt meetrillen met het geheel van wat ze ervaart ('meetrillen' betekent dat de cliŽnte, als het woord gezegd wordt, iets in beweging voelt komen). De therapeute laat zich niet op een zijspoor zetten. Door haar woorden te herhalen helpt ze de cliŽnte weer toegang te vinden tot haar totale beleving. De therapeute wijst de cliŽnte vervolgens regelrecht op deze opening en vraagt haar, uitnodigend af te wachten of er nog meer komt. Dit is geen uitnodiging om tot cognitieve speculaties over te gaan, maar een richten van de aandacht op een concreet, impliciet, lichamelijk gevoel over iets.

Bij C.2 laat de cliŽnte meer woorden opkomen. Let op de pauzes, de tastende manier, de exploratie van iets onduidelijks dat op dit ogenblik gevoeld wordt. De woorden 'of zoiets' geven aan dat de cliŽnte zich ervan bewust is, hoe de zin: 'dat hij me iets zou kunnen laten doen' het gevoel weergeeft, maar niet helemaal. Daarna gaat de cliŽnte te snel: zo te zien gaat ze over tot een meer cognitieve benadering. Ze geeft weer aan dat dit onzin is. Het kan ook zijn dat ze zich op dat moment leeg voelt of vastzit.

Bij T.2 vertraagt de therapeute het proces en ze herhaalt de woorden die het dichtst bij het gevoel kwamen. Daarmee nodigt ze de cliŽnte uit om opnieuw op het hele gevoel te focussen. Ze helpt hier opnieuw de aandacht op het impliciete te richten. 

Bij C.3 is de cliŽnte op een diep niveau aan het focussen. Let op de lichamelijke ontspanning als ze in haar lichaamsgevoel afdaalt (diepe zucht) en wacht. Ze wacht geduldig. Ze is bereid om te blijven bij datgene wat ze nog niet kent, maar wel voelt. Dat is focussen. Er komt iets nieuws te voorschijn. De cliŽnte worstelt opnieuw met de kritische, blokkerende neiging van: 'dit is echt heel raar', en door uit te spreken wat er bij haar opgekomen is ('wat moet ik, als ik hem aardiger ga vinden'), ervaart ze een beginnende opluchting en een notie van haar gevoel rond de ontmoeting. Dit is een kleine, voelbare verandering, die merkbaar wordt doordat haar tranen gaan stromen als het tot haar doordringt wat ze voelt. De zin: 'Of zoiets. Ik weet niet precies ...' geeft weer aan dat er nog meer kan komen. Er valt nog meer te verkennen.

 

Toen de cliŽnte tijdens deze sessie doorging met focussen, ontdekte ze wat er nog meer aanwezig was in: 'wat moet ik als ik hem aardiger ga vinden'. Ze was bang dat hun oude patroon zich zou gaan herhalen. Haar echtgenoot zou emotioneel beschikbaar lijken en haar uitnodigen hem te vertrouwen. Als ze daarop in zou gaan en zich dichter bij hem zou voelen, hem aardig zou vinden, zou hij zich terugtrekken en vinden dat ze te veel van hem eiste. Zij zou zich weer gekwetst voelen net op het moment dat ze voor hem openstond. Nu dit onder woorden is gebracht, is ze in staat om uit te zoeken wat ze zelf met deze ontmoeting wil. De algehele nabijheid die ze in het verleden van hem wilde, heeft ze niet meer nodig, maar ze wil hem wel vertellen hoe moeilijk het haar valt om er alleen voor te staan met de kinderen. Ze zou graag willen dat hij daarnaar zou luisteren met enige zorg voor haar. Ze kan de ontmoeting nu met meer innerlijke helderheid en minder angst tegemoet treden. Ze zal zich waarschijnlijk anders gedragen.

 

Vaag en toch aanwezig

Bij C.1 heeft de cliŽnte dit gevoel van angst, van: 'onder druk komen te staan' onderkend. Ze weet niet wat deze druk zou kunnen zijn, of waar haar angst mee te maken heeft. Als we terugkijken, is het duidelijk dat haar onvermogen om te weten wŠt ze voelde nog niet wou zeggen dat ze niets hŠd om te voelen. Haar hele impliciete gevoel was er, levend en wel. Veel cliŽnten denken dat alleen datgene bestaat wat al uitgesproken of begrepen kan worden. Daarmee zetten zij hun onduidelijke maar wel aanwezige gevoel opzij als iets onbelangrijks ('te vaag', 'onzinnig', 'te moeilijk om in woorden uit te drukken'), of ze merken het helemaal niet op. Om te focussen moet men een felt sense kunnen laten ontstaan zonder meteen te weten wat die betekent.

De inhoud van wat er dan opkomt, wordt niet bepaald door ons bewuste, gerichte denken. Wat er opkomt, kan ons verbaasd doen staan. Dit proces lijkt niet op onze gewone manier van denken; het is in ons lichaam verankerd. Veel cliŽnten (en therapeuten) zijn niet gewend te vertrouwen op het bestaan van een 'ordening' op dit niveau. Er zit een heel exacte opeenvolging in het ervaringsproces. Iemand volgt de lijn die in het organisme gegeven is. Bij het laatste fragment is er een exacte opeenvolging in vier stappen:

  1. bang
  2. druk
  3. me iets laten doen
  4. hem aardiger gaan vinden

Als de cliŽnte niet was blijven stilstaan bij 'bang', zou ze nooit bij 'druk' terecht zijn gekomen. De therapeute bracht haar weer terug bij 'druk'.
Ze was alweer doorgegaan, want ze had er geen vertrouwen in dat er ook maar iets zou kunnen voortkomen uit iets wat niet bij haar verwachtingen paste. Toen ze opnieuw haar aandacht richtte op 'druk', kwam er 'me iets laten doen' naar boven. Toen stelde ze zich de vraag: 'Wat kan hij me laten doen?' De therapeute reflecteerde deze vraag niet. Ze nodigde de cliŽnte uit om langzaam terug te gaan naar haar gevoel van spanning. En zo kwam er een stap, met huilen erbij en een diepere bewogenheid.

 

Herkenning van aanvallen van binnenuit op het proces

Zoals we hebben laten zien, heeft de cliŽnte in dit korte fragment de neiging om iets aan te vallen zodra het in haar eigen proces opkomt ('waarom in godsnaam' 'zou je niet denken' 'Dit is echt heel raar'). Dat houdt in dat het onzin is wat er opkomt. Dit gebeurt bijna altijd. Wat men hier ziet, is haar onbekendheid met een proces dat eerder ervaringsgericht is dan dat het de wetten van de logica volgt. CliŽnten kunnen leren dit te herkennen in plaats van hun proces te negeren. Ook kan de therapeut, zoals in dit fragment gebeurt, de cliŽnt helpen om dat te omzeilen door direct op de felt sense in te gaan in plaats van op de kritiek. 

 

Vriendelijke attitude

Als cliŽnten nog geen idee hebben van de processen die zich op dit niveau in henzelf afspelen, kunnen zij waarschijnlijk ook niet beseffen hoe waardevol het is daarop in te gaan. Een vriendelijke, receptieve, verwelkomende attitude naar binnen toe is nodig om te kunnen focussen. Je moet naar jezelf willen luisteren en in staat zijn om te verwelkomen wat er komt, ongeacht de inhoud. 

Je kunt jezelf niet dwingen om te focussen, en datgene wat opkomt moet met respect ontvangen en behandeld worden. Want dat is de realiteit van wat er op dit moment gaande is. Doordat je het er gewoon laat zijn, kunnen er verdere stappen volgen. De cliŽnt heeft hulp nodig om op een zorgzame, respectvolle manier met zijn innerlijk proces om te gaan, ongeveer zoals de therapeut dat doet in de interactie met de cliŽnt. 

 

Conclusie

In onze ijver om de autonomie van de cliŽnt te beschermen kunnen we terechtkomen in een oppervlakkig soort interactie. Het kan erop lijken dat er geen beweging inzit. Als de cliŽnt niet bij zijn of haar proces kan komen of er innerlijk geen contact mee kan maken, gaat de therapie niet dieper. Aanvaarding van wat er in de cliŽnt leeft is heel waardevol, maar niet genoeg. Als we hem alleen maar aanvaarden zoals hij is, dan kan dat betekenen dat we hem laten spartelen. Veel cliŽnten hebben totaal geen ervaring met wat het is of hoe het voelt om in verbinding te staan met een innerlijk proces. Zij kunnen 'afgesloten' raken van hun beleving of ondergedompeld zijn in nare gevoelens die steeds opnieuw beleefd worden. Het is niet genoeg die gevoelens steeds opnieuw te beleven, zelfs niet wanneer dit vanuit een vriendelijke attitude gebeurt. De meeste cliŽnten weten niet hoe ze op hun beleving moeten focussen. Ze weten niet dat ze hun aandacht kunnen richten op hun vagere, meer impliciete gevoelens met betrekking tot iets, en dat ze door dat te doen, een veranderingsproces in werking kunnen zetten. Als een cliŽnt eenmaal dit niveau van communicatie met zichzelf heeft ontdekt, komt er richting en beweging in deze gevoelens. Het is belangrijk dat we inzien dat veel cliŽnten hier helemaal geen weet van hebben. De therapeut die zich van dit feit bewust is, kan de cliŽnt helpen dit proces te leren.

 

Literatuur

Bommert, H. en Dahloff, H.D. Das Selbsterleben (Experiencing) in der Psychotherapy. MŁnchen: Urban und Schwarzenberg, 1978.

Gendlin, E.T., Experiencing and the creation of meaning. New York: Macmillan, 1962.

Gendlin, E.T., Focusing New York: Bantam, 1981.

Gendlin, E.T., The client's client. In: R. Levant en J.M. Shlien (eds.), Client-centered therapy and the person-centered approach. New York: Praeger, 1984.

Klein, M.H., Mathieu, P. L., Gendlin, E.T. & Kiesler, D.J., The Experiencing Scale: A research and training manual.

Madison: University of Wisconsin Extension Bureau of Audiovisual Instruction, 1970.

Klein, M.H. en P. Mathieu-Coughlan, The Experiencing Scales. In: L.S. Greenberg en W.M. Pinsof (eds.), The Psychotherapeutic process: A research handbook. New York: Guilford, 1986. 

Mathieu-Coughlin, P., en M.H. Klein, Experiential psychotherapy: Key events in client-therapist interaction. In: L.N. Rice en L.S. Greenberg (eds.), Patterns of change. New York: Guilford, 1984.

Uit: Person-Centered Review, 1986, Vol 1, 2.

Psychotherapeutisch Paspoort, 1987, 2.


All contents Copyright 2012 by The Focusing Institute
Email comments to webmaster