Home > Nederlands > Het focusingproces

Het focusingproces

Mia Leijssen

Dit artikel is een onderdeel uit het boek: Leijssen, M. (1999). Gids voor gesprekstherapie. Utrecht: De Tijdstroom.

Focusing betekent aandacht geven aan iets dat aanvankelijk slechts vaag aanwezig is in de beleving. Door daar zorgvuldig bij stil te staan, kan het zich verduidelijken en in interactie met symboliseringen kan het de gepaste uitdrukkingen krijgen.

Focusing is een cliŽntproces dat 'ontdekt' werd in succesvolle therapie. Bij de vergelijking van geslaagde therapieŽn met niet-geslaagde therapieŽn is gebleken dat succesvolle cliŽnten een speciale vorm van zelfexploratie aanwenden. Die zelfexploratiemethode van succesvolle cliŽnten werd grondig bestudeerd door Gendlin, met de bedoeling daarin de principes te vinden waarmee men minder succesvolle cliŽnten die cruciale vaardigheden kan bijbrengen.

Gendlin verdeelde het focusingproces in zes verschillende stappen: 1) ruimte maken; 2) een gevoelde betekenis laten komen; 3) een handvat vinden; 4) resoneren; 5) vragen/exploreren; 6) ontvangen. Met dat model kan focusing worden 'onderwezen' aan cliŽnten.

In de praktijk van de gesprekstherapie is het echter zinvoller om in het focusingproces drie grotere processen te onderscheiden, die elk op zich zeer nuttig kunnen zijn in een therapeutische begeleiding.

Het eerste proces is erop gericht om de cliŽnt de juiste afstand te helpen vinden ten aanzien van zijn beleving. In deze fase wordt de cliŽnt begeleid om contact te maken met zijn beleving zonder erdoor overspoeld te worden. Er wordt niet inhoudelijk met de problemen gewerkt, maar verhoudelijk: de cliŽnt leert een ruimte creŽren tussen de problemen en zichzelf, waardoor hij niet meer samenvalt met de problemen, maar zich vanuit een observerend zelf verhoudt tot de problemen. Binnen dit proces zijn er verschillende stappen te zetten, naargelang de toestand waarin de cliŽnt zich bevindt. Een cliŽnt die 'te ver' van zijn belevingen blijft, vraagt om een andere benadering dan een cliŽnt die 'te dicht' op zijn beleving zit. Het vinden - en behouden - van de juiste verhoudingswijze is een essentieel therapeutisch gebeuren dat in verschillende contexten (als start van een therapiesessie, tijdens het therapeutisch proces, in crisissituaties, als bezinningsmoment...enz.) kan worden toegepast.

Het tweede proces is de kern van het focusingproces. Hierin wordt een gevoelde betekenis gecontacteerd en uitgedrukt in symbolen (woorden, gebaren, tekeningen...). In dit proces wordt de cliŽnt begeleid om de verschillende facetten van zijn beleving naar voor te halen.

Een gevoelde betekenis komt tot vervollediging door de verbinding te laten ontstaan tussen: lichamelijke gewaarwordingen, emoties, situaties in de buitenwereld, symboliseringen.

Dat ontvouwingsproces leidt naar een opluchting, een lichamelijk gevoelde ervaring dat er iets 'bevrijd' is, waardoor er nieuwe energie voelbaar wordt. Echte therapeutische verandering draagt altijd kenmerken van dit proces in zich.

Het derde proces impliceert het ontvangen van alles wat zich wil aandienen in het ervaringsproces. Mogelijke bewegingen en nieuwe ontwikkelingen in de cliŽnt kunnen hardnekkige 'weerstanden' oproepen in de cliŽnt. De meest voorkomende struikelblokken noemt men in focusingtermen: de interne criticus of interfererende karakters. Die 'storende' reactiewijzen vragen extra aandacht en begeleiding omdat ze de cliŽnt op een zijspoor zetten en leiden tot een onproductief proces wanneer zij de bovenhand krijgen. Het onderkennen, exploreren en ontkrachten van niet helpende reactiewijzen bij de cliŽnt, is een complex en vaak weerkerend proces, waarin met grote zorg verschillende stappen worden gezet.

Die drie macroprocessen kunnen zich in een hiŽrarchische volgorde aandienen: de cliŽnt moet eerst een juiste afstand vinden tot zijn problemen vooraleer hij contact krijgt met een lichamelijk gevoelde betekenis en hij tot de juiste symbolisering kan overgaan. Daarbij duiken de interferende reactiewijzen doorgaans pas op wanneer de symbolisering van de gevoelde betekenis bezig is.

Maar die processen kunnen evenzeer in een andere volgorde verschijnen: van bij de aanvang kan een interfererende reactiewijze ervoor zorgen dat de cliŽnt geen contact kan/mag maken met bepaalde gevoelens, of bij het exploreren van een interferend karakter kan de cliŽnt overspoeld raken en moet er gezocht worden naar de juiste afstand. Het gaat dus om verschillende vaardigheden die voortdurend aan de orde zijn en die met wisselende klemtoon op de voorgrond komen.

Elk macroproces kan ook soms apart een volledige sessie benemen, of een specifiek proces kan worden gebruikt als onderdeel in andere therapeutische benaderingen.

We zullen vervolgens elk macroproces grondiger doorlichten en aangeven hoe de therapeut de cliŽnt op het juiste spoor kan houden of - bij moeilijkheden - meer directief de nodige vaardigheden introduceren en/of aanleren aan de cliŽnt. We geven toepassingsmogelijkheden van de afzonderlijke principes en illustreren hoe deze processen er in de praktijk van de gesprekstherapie kunnen uitzien.

1) Het vinden van de juiste afstand / Ruimte maken

De cliŽnt dient een relatie tot zijn ervaringsproces te creŽren waarbij hij de juiste afstand vindt ten opzichte van zijn problemen. De juiste afstand wil zeggen: de cliŽnt kan contact maken met zijn beleving, maar hij valt er niet mee samen.

In deze fase werken we niet inhoudelijk rond een probleem, maar verhoudelijk: we helpen de cliŽnt een comfortabele positie vinden ten aanzien van zijn gevoelens, wat wil zeggen dat ze dicht genoeg komen om ze te kunnen voelen, maar toch op een kleine afstand blijven zodat de cliŽnt er niet in verzinkt. Vaak hebben de moeilijkheden die cliŽnten ondervinden te maken met een verkeerde verhoudingswijze, er is geen juiste afstand tussen de cliŽnt en zijn beleving. De afstand is ofwel te groot, de cliŽnt blijft te ver van zijn ervaring, waarbij de cliŽnt 'niets voelt' ; ofwel is de afstand te klein, de cliŽnt zit er te dicht op, er is geen zelf meer dat zich verhoudt tot het gevoelde. Naargelang de cliŽnt te ver of te dicht zit in de verhouding tot zijn problemen, dient de therapeut anders te interveniŽren.

1.a. De cliŽnt zit te ver.

Dit proces uit zich wanneer de cliŽnt niet weet waarover praten, weinig voelt of zijn gevoel telkens weer betwijfelt, lang tijd nodig heeft om contact te krijgen met een gevoel, het contact met zijn gevoel gemakkelijk verliest, meer in zijn hoofd zit en van daaruit spreekt, veel uitlegt aan de therapeut, het probleem weg rationaliseert, voornamelijk externe autoriteiten citeert...

Als de cliŽnt in een verhoudingswijze van 'te ver' van zijn gevoel blijft steken, dient de therapeut actief wegen aan te bieden om de cliŽnt een andere relatie tot zichzelf te helpen ontdekken. De vraag: "Hoe voelt dat?", volstaat meestal niet voor deze cliŽnten, omdat zij hun lichaam niet kennen als de plaats waarin zij op zoek kunnen gaan naar betekenis. Deze cliŽnten zoeken 'buiten' zichzelf naar betekenissen: bij andere 'autoriteiten' of in theorieŽn en boeken.

De introductie van iets lichaamsgericht is meestal een noodzakelijke stap om deze cliŽnten in contact te brengen met een nieuwe bron van weten: de eigen innerlijke autoriteit.

Voorbeeld: Oskar, 48 jaar, spreekt meestal op een zeer rationeel niveau over situaties uit de voorbije week. Daarbij gaat hij vaak in boeken zoeken naar verklaringen voor wat hij meemaakt. Hij start de 22de sessie met een lang verhaal over een vriend waarbij hij met veel details vertelt dat hij 'denkt' dat hij zich woedend zou moeten voelen en hij koppelt het aan iets dat hij gelezen heeft bij Adler over macht.

T:"Je denkt dat je je woedend zou moeten voelen... maar je voelt daar geen contact mee... laat alles wat je er rond gedacht en gelezen hebt even rusten, we gaan van voor af aan beginnen bij je lichaam en zien wat zich van daaruit kan aandienen... Neem maar je tijd om je ogen te sluiten, dan begeleid ik je met je aandacht door je lichaam... (De therapeut laat de cliŽnt voelen vanaf zijn voeten en zo systematisch heel het lichaam van onder naar boven, met daarbij telkens de uitnodiging :"Wat word je gewaar in dat deel van je lichaam?". Daarbij laat de therapeut de cliŽnt blijven bij het pure observeren van wat zich in zijn gewaarwording aandient.)... Stel gewoon vast wat je gewaarwordt ... (Nadat heel het lichaam overlopen is, vraagt de therapeut aan de cliŽnt om zijn aandacht terug in het centrum van zijn lichaam te brengen)... Wat springt er meest naar voor wanneer je zo heel je lichaam doorlopen hebt?"

C:"Dat gevoel in mijn maagstreek... die spanning daar... dat is het meest krachtige."

Een goede manier om de cliŽnt te begeleiden naar een innerlijke verhoudingswijze kan zijn: de cliŽnt eerst en vooral met zijn aandacht in zijn lichaam laten gaan.

Doorgaans volstaat het om aan het begin van de sessie de cliŽnt uit te nodigen met enkele eenvoudige instructies als: "Neem wat tijd om te voelen hoe je in je lichaam zit..." , "Volg even je ademhaling, gewoon je in- en uitademen, zonder daar iets aan te moeten veranderen...",

"Wat valt je op als je even met je aandacht door je lichaam gaat ?"

De therapeut kan ook in het begin van de sessie vragen aan de cliŽnt om even de ogen te sluiten en na te gaan hoe de verschillende plaatsen in zijn lichaam voelen. Daarbij krijgen vooral de ademhaling en de gewaarwordingen in keel, borst, maag, buik... ruim aandacht. Indien de therapeut ervoor kiest om de cliŽnt met een vorm van relaxatie te laten aanvangen, moet er wel voor gewaakt worden dat er geen diepe ontspanning ontstaat; focusing vergt immers een heldere concentratie en een alerte ontvankelijkheid.

Als ik met een groep werk, start ik soms met muziek en beweging; dat brengt de deelnemers onmiddellijk op een meer lichamelijk niveau van gewaarworden.

Als de cliŽnt niet weet waarover spreken, stel ik soms voor om eens te toetsen of hij zou kunnen zeggen: "Ik voel mij helemaal goed..." Zo'n provocerende uitspraak wordt meestal tegengesproken door een gevoel dat de cliŽnt in de weg zit om zich helemaal goed te voelen. Dezelfde contrastervaring wordt ook geŽvoceerd door de cliŽnt bijvoorbeeld te laten zeggen: "Al mijn problemen zijn opgelost..." Daarop melden zich belevingen van probleemgebieden die dan onderwerp van gesprek kunnen worden.

Het kan ook faciliterend zijn om samen met de cliŽnt te overlopen wat er momenteel in zijn leven bezig is en hem bij elke topic te laten nagaan wat dat oproept. Uit die lijst wordt dan datgene genomen waarbij de cliŽnt de sterkste gewaarwordingen heeft. Daarbij is de therapeut steeds alert voor kleine lijfelijke reacties van de cliŽnt: oogbewegingen, gelaatsexpressie, ademhaling, kleine gebaren, lichaamshouding waarin iets verandert... kunnen tekenen zijn van een onderliggende lading waar de cliŽnt misschien aan voorbij gaat als de therapeut er niet de aandacht op vestigt.

Niet alleen aan het begin van het gesprek kan de cliŽnt te ver van zijn gevoelens blijven, ook tijdens het gesprek kan de cliŽnt het contact met zijn gevoel verliezen. Dan geeft de therapeut opnieuw suggesties als: "Neem even tijd om te voelen hoe dat in je lichaam leeft...", "Zou je kunnen zeggen: het probleem is helemaal opgelost?" , "Hoe is je ademhaling terwijl je hierover spreekt?" , "Je zegt 'het raakt me niet' , maar ondertussen maak je een stampende beweging met je been... Wat word je daarin gewaar?" , "Voel je in jezelf een verschil wanneer je spreekt over je beleving van je vriend en je beleving van je man?"... enz. Met al dergelijke vragen richt de therapeut de aandacht van de cliŽnt opnieuw naar binnen en specifieker op de gewaarwordingen die zich vanuit zijn lichaam zouden kunnen melden.

Soms laat ik de cliŽnt die gemakkelijk het contact met zijn gevoel verliest, zijn hand leggen op de plek waar hij het in zijn lichaam kan voelen. Ik laat hem dus letterlijk zijn gevoel 'vasthouden'. Daarbij geef ik bijkomend de suggestie naar die plek toe te ademen.

Op dergelijke manieren wordt de aandacht verlegd van 'buiten' naar 'binnen' en wordt er een begin gemaakt met een innerlijke verhoudingswijze, waarbij de cliŽnt leert zich te begeven in de positie van een observerend niet-beoordelend zelf, dat bepaalde gebeurtenissen binnenin zichzelf kan gewaarworden. Geleidelijk wordt er van het observeren van eenvoudige fenomenen (zoals bijvoorbeeld: ademhaling) overgeschakeld naar complexere ervaringen (zoals bijvoorbeeld: de innerlijke beleving van een conflict).

 

1. b. De cliŽnt zit te dicht

De tegenovergestelde positie treffen we aan wanneer de cliŽnt uitdrukt (verbaal of niet-verbaal) dat er teveel op hem afkomt of dat zijn ervaring te intens is. Het is trouwens niet uitzonderlijk dat een cliŽnt plots van een verhoudingswijze van 'te ver' omslaat naar 'te dicht'.

De cliŽnt heeft dan meestal een aversie voor wat zich meldt, of hij wordt erg angstig, gespannen, overspoeld door iets waarin hij verzinkt of waarbij hij zichzelf verliest, of hij identificeert zich helemaal met zijn beleving. Dat zijn signalen dat de therapeut de cliŽnt moet begeleiden om meer afstand te creŽren. Er is immers een kleine afstand nodig tussen het zelf en het probleem om een innerlijke relatie mogelijk te maken.

Bij het begeleiden van een 'te dichte verhoudingswijze' doet de therapeut beroep op de natuurlijke capaciteit van de mens om te 'splitsen' en maakt de therapeut dankbaar gebruik van de enorme kracht die er kan uitgaan van de verbeelding. De therapeut moedigt de cliŽnt aan om in zichzelf 'delen' te onderscheiden, waarover de cliŽnt vervolgens een zekere zeggingsmacht kan krijgen of waarvoor de cliŽnt op bijzondere wijze kan zorgdragen. Het aanwenden van metaforen om die processen concreter aanwezig te stellen is hierbij onmisbaar. (Spreken over: 'afstand' maken , zich 'te ver' of 'te dicht' bevinden, is ook reeds beroep doen op metaforen om die processen te beschrijven.)

Naargelang de aard van de problemen waarmee de cliŽnt samenvalt of die hem overspoelen, introduceert de therapeut een andere manier om de disidentificatie of het afstand nemen te faciliteren. De metaforen die daarbij gebruikt worden, moeten passen bij het probleem en bij de leefwereld van de cliŽnt. Er zijn meerdere manieren om de cliŽnt te helpen bij het vinden van een juiste afstand.

We geven eerst een voorbeeld van een volledige (ingekorte) therapiesessie waarin de cliŽnt die 'te dicht' zit, op verschillende manieren wordt begeleid naar een betere verhoudingswijze.

Sonja, 39 jaar, komt in de 24ste sessie zeer gespannen binnen, ze loopt overal tegenaan, ze kan niet meer denken. Ze begrijpt niet waarom ze zo gespannen is, het is immers de eerste dag van haar vakantie.

T:"Laat ons daar samen eens rustig naar kijken... Neem even je tijd om je ademhaling te volgen - als je wil kan je daarbij je ogen sluiten - en volg gewoon het ritme van je in- en uitademen... (stilte)... Je zei dat je erg gespannen was... vraag aan je lichaam wat er is dat je zo spant..."

C:"Het is wel vakantie maar eigenlijk moet ik in de komende periode ontzettend veel doen, als ik niet uitkijk dan is die maand voorbij en dan kom ik op het einde tot de vaststelling dat ik nergens toe gekomen ben."

T:"Okť, we gaan eens nagaan wat er allemaal ligt dat je aandacht vraagt... Hier is een pak papiertjes... Elke topic die je spanning geeft, krijgt een naam, die je op ťťn van deze papiertjes kan schrijven. Vervolgens kan je dat papiertje - en daarmee ook het probleem - een plaats geven ergens in de ruimte hier, op een afstand van jezelf waarbij je je goed voelt... Wat komt er zo eerst bij je op?"

C:"In mijn huis is veel werk, er moet vanalles hersteld worden... de schrijnwerker zou moeten komen, er is een probleem met de verwarmingsinstallatie, de elektriciteit moet nagezien, ik moet lampen kopen, de gordijnen moeten gewassen worden..."

T:"Ja dat is veel tegelijk, neem voor elk van die bekommernissen een briefje, ťťn voor de schrijnwerker, ťťn voor de verwarming, ťťn voor de elektriciteit, ťťn voor de lampen, ťťn voor de gordijnen... en schrijf daarop telkens dat sleutelwoord ... (stilte, C. schrijft op briefjes) ... Geef nu elk briefje een plek op de grond, of ergens anders in deze ruimte, maar terwijl je elk briefje neerlegt voel je ook hoe dat is om die bekommernis nu ook werkelijk even neer te leggen, je vergeet ze niet, maar je kan ze even laten rusten, je geeft ze een plaats. (C. legt de verschillende briefjes op de grond, in handbereik, en zucht diep.) Okť, dat ligt er. Kijk nu even verder... Wat zit er nog dat je spant?" (stilte)

C:"Ik moet een afspraak maken bij de tandarts, er is een kies die behoorlijk zeer doet, ik stel dat altijd maar uit."

T:"Dus de tandarts die je moet contacteren om je kies te laten verzorgen... schrijf dat ook maar op een briefje... (C. schrijft) en geef dat ook nu hier een plaats... (C. legt briefje neer op tafel naast zich).... Wat nog?" (stilte)

C:"Ik moet dringend met mijn kuisvrouw praten (C. geeft langere uitleg over probleem met kuisvrouw waarbij de therapeut haar helpt ontdekken wat ze precies wil duidelijk maken aan de kuisvrouw)... Ik wil haar duidelijk zeggen dat ze zich moet houden aan wat ik vraag..."

T:"Maak ook een briefje voor je gesprek met de kuisvrouw... en leg ook dat nu even neer. (C. legt dat briefje aan de andere kant op de grond, wat gevolgd wordt door een diepe zucht.)... Is er nog iets?"

(Er volgen nog diverse praktische problemen, die elk op gelijkaardige wijze een plek krijgen)

C:"Nu voel ik dat mijn eenzaamheid zwaar weegt... Ik mis knuffels... "

T:"Laat aan je lichaam weten dat je hoort dat het knuffels mist... en tracht vriendelijk te ademen rond de plek waar je dat gemis voelt... Geef het een zachte, vriendelijke ademruimte daar vanbinnen..." (stilte)

C:"Dat doet goed... ik erken dat zelden en dan verhard ik mezelf... dit voelt beter..." (stilte)

T:"Is er nog iets?"

C:"Ik schrik omdat ik plots geconfronteerd word met mijn vader! Hij wordt oud en behoeftig... er wordt verwacht dat ik de zorg voor hem opneem, maar dat kan ik niet na alles wat hij mij heeft aangedaan (er is incest geweest met vader)... Ik heb zelfs geen zin om hem te bezoeken... Nu ik vakantie heb, heb ik geen excuus meer om het uit te stellen... Het is als een berg waar ik tegenop zie... Het is niet toevallig dat ik daar nu als laatste bij uitkom... ik kan dat altijd vermijden door het heel druk te hebben."

T:"Je hoeft niet onmiddellijk aan de 'beklimming' van die berg te beginnen... We hebben ook nu niet de tijd om er op in te gaan... als je dat wenst, kunnen we volgende sessie meer tijd nemen voor dat probleem met je vader... Kijk of je nu een stapje achteruit kan zetten en die berg wat voor je kan laten liggen, zonder dat je bij het begin van je vakantie aan die zware klim hoeft te beginnen...?"

C:"Het is goed dat ik het even aangeraakt hebt, maar ik voel dat ik inderdaad mezelf eerst de tijd moet geven om op adem te komen... Ik merk dat het me ontspant om wat achteruit te gaan en die berg daar nog even te laten waar hij is..."

T:"Onze tijd is bijna om... Je hebt hier die verschillende briefjes neergelegd... Kijk wat jij er mee wil, wat er voor jou goed voelt om het hier nu af te ronden?"

C:"Ik ga ze meenemen en thuis op mijn prikbord hangen in de volgorde dat ik ze wil afwerken." (C. neemt bedachtzaam de verschillende briefjes ťťn voor ťťn op, waarbij ze luidop verwoordt wat ze daarmee van plan is en steekt ze weg in haar handtas).

T:"Neem nog even je tijd om te voelen hoe je er nu bijzit en of het nog iets nodig heeft?"

(stilte)

C:"Ik voel me 20kg lichter! Ik heb een zalig gevoel dat ik ook ruimte heb om te genieten... ik ga seffens eerst rustig op een terras iets drinken om te vieren dat het vakantie is..."

 

De meest gebruikelijke wijze om bij een 'te dichte verhoudingswijze' afstand te creŽren, is de cliŽnt vragen om het probleem een plek te geven buiten zichzelf, op een plaats die goed voelt voor de cliŽnt. Soms kan de eenvoudige uitnodiging of 'het' wat verder weg wil gaan, volstaan. Meestal moet de therapeut dat proces echter sterker begeleiden met bijvoorbeeld instructies als: "Kan je eens proberen om dat probleem even een plaats te geven hier ergens in deze ruimte... kijk maar waar jij het even wil neerzetten."

Het is heel helpend om dat ook te concretiseren, bijvoorbeeld door de cliŽnt op een papier de naam van het probleem te laten neerschrijven of iets te tekenen en dan dat papier effectief een plaats te geven in de gespreksruimte. Zelfs voor gesofistikeerde cliŽnten werkt dit zeer bevrijdend en is het vaak vruchtbaarder dan louter op fantasieniveau aangeven waar iets ligt. Op die wijze kunnen meerdere problemen waardoor de cliŽnt bezet wordt, een plek krijgen in de therapieruimte.

Dat proces van afstand maken kan nog meer op fantasieniveau begeleid worden aan de hand van uiteenlopende metaforen. Wanneer bijvoorbeeld de cliŽnt vooral op zijn schouders en rug overbelasting ervaart, kan er met volgend beeld gewerkt worden: "Als je je voorstelt dat je gebukt gaat onder een zware rugzak vol problemen, laat ons dan eens kijken wat daar allemaal inzit en stel je voor dat je ťťn voor ťťn die problemen uit je rugzak haalt en even hier neerlegt... Voel ook telkens hoe het voor je is wanneer je dat specifieke probleem uitlaadt en neerlegt." Of een andere metafoor wanneer de cliŽnt bijvoorbeeld meer centraal in zijn lichaam de ervaring heeft van overvol zitten of het gevoel dat iets hem helemaal beneemt: "Stel je voor dat je vanbinnen een ruimte hebt, zoals een kamer, die zo vol staat dat je er niet meer kan in bewegen... Laat ons daarin wat ruimte maken... Kijk maar wat je daarin tegenkomt dat teveel ruimte beneemt... Stel je voor dat je dat even uit die ruimte kan zetten en een plek geven elders, waar je er nog wel het zicht op hebt, maar waar het niet zo dicht op je zit... Hoe voelt dat binnenin je wanneer die ruimte vrijkomt?"

Wanneer het probleem een erg dreigende eigenschap heeft of wanneer het gaat om iets waar de cliŽnt erg bang voor is, kan het nodig zijn om het niet alleen op afstand te zetten, maar bovendien een 'beveiliging' te plaatsen tussen de cliŽnt en het probleem. Bijvoorbeeld een cliŽnte die overspoeld wordt door angst wanneer ze wil spreken over haar gewelddadige vader, stelt zich voor dat haar vader niet alleen in de verste hoek van de therapieruimte wordt geplaatst, maar dat er rond hem 'een kooi' staat, zoals men bij rechtszaken met gevaarlijke verdachten soms ziet. Of een cliŽnt tekent iets dat erg bedreigend is en plakt die tekening ook daadwerkelijk aan de buitenkant van het venster van de therapieruimte. Of men stelt zich voor dat het 'gevaarlijke' ergens in opgeborgen wordt.

Wanneer daarentegen het overspoelende een 'kinderlijke' eigenschap heeft of erg dierbaar is, dan moet men heel andere metaforen inroepen om de juiste afstand te creŽren. Bij de cliŽnte die bijvoorbeeld samenvalt met kwetsuren die ze als kind heeft opgelopen, zou het van weinig meevoelen getuigen om dat 'in de therapieruimte' te plaatsen. Daar moet de 'plek buiten' tegelijkertijd de zorg voor dat deel verzekeren. Hier kan bijvoorbeeld een beeld als: "Kan je dat gekwetste kind eens op je knie nemen", iets van afstand introduceren, terwijl het toch respectvol is voor de gevoeligheid waarmee een dergelijk probleem gepaard gaat.

Kortom, de vraag om datgene dat te dicht op de cliŽnt zit, wat verder weg te laten gaan, kan nooit een stereotype vorm krijgen. Het is steeds een zoeken - in interactie met de reacties van de cliŽnt - naar een vormgeving die beantwoordt aan de behoeften van de cliŽnt, terwijl de therapeut evenzeer met een zekere vastberadenheid en vindingrijkheid het proces van een afstand maken tussen de cliŽnt en het probleem faciliteert.

Een andere wijze van afstand maken kan gebeuren door de cliŽnt te laten 'achteruit gaan' , daadwerkelijk of figuurlijk. Bijvoorbeeld: "Laat alles even staan waar het is en ga een stap achteruit, zodat je een beetje afstand krijgt." Of wanneer de cliŽnt bijvoorbeeld vooral in termen van 'overspoeling' spreekt, kan volgende metafoor helpend zijn: "Stel je voor dat je even uit die zee kan stappen en op het strand gaan zitten, van waaruit je kan kijken naar de golven, in plaats van erin te verdrinken."

We geven hierbij ter illustratie een kort fragment uit een therapiesessie, waarbij de suggestie om afstand te maken via 'het probleem op afstand zetten' niet lukt en vervolgens de andere wijze om afstand te maken via 'de cliŽnt achteruit laten gaan', wel aanslaat.

Isabelle, 40 jaar, werkt in de 3de therapiesessie rond een gevoel van doodsangst. Halverwege de sessie krijgt ze stekende pijn in de buurt van haar hart.

C:"Dat duwt hier (wijst op borstbeen) verschrikkelijk, dat is niet meer uit te houden... dat is zo'n sterke tegenkracht die mij belet om te leven... ik kan bijna niet meer ademen!"

T:"Zou je eens kunnen proberen om die tegenkracht wat verder weg te duwen?"

C:"Ik zou niet weten hoe ik dat moet doen."

T:"Kan je mij een idee geven hoe jij die tegenkracht beleeft, behalve dat ze je belet om te leven, hoe zit jij daaronder of wat voor gewaarwording geeft het je?"

C:"Dat is een geweldige zware blok beton op mij, ik heb daaronder geen lucht!"

T:"Okť, nu versta ik dat je zoiets niet kan wegduwen! We laten die zware blok waar die is, probeer je voor te stellen dat jijzelf achteruit gaat... Maak in je verbeelding die stap waarbij jezelf onder die steen uitkomt."

C. knikt reeds terwijl T. dit voorstelt (dergelijke kleine signalen geven aan dat we het goede spoor te pakken hebben).

C:"Ja, dat voelt goed (diepe zucht)... oef, ik kan herademen...(stilte).. Opeens zie ik ook dat die blok beton mijn moeder is die mij altijd belet heeft om te leven!"

Bij sterke (pijnlijke) lichamelijke sensaties kan een derde wijze van afstand creŽren soms meer aangewezen zijn, namelijk de uitnodiging om 'rond de plek in het lichaam te ademen'. Het creŽren van een ademruimte in het lichaam geeft voor veel cliŽnten een voelbare verschuiving in de beleving van het probleem. Bijvoorbeeld bij een cliŽnt die ernstige maagpijn heeft, waardoor hij zich moeilijk op iets anders kan concentreren, stelt de therapeut voor: "Laat aan je maag weten dat je er zorg voor zal dragen... Ga met je adem rond die pijnlijke plek, alsof je er een zacht verband rond legt... Kijk of die pijn nu nog iets nodig heeft vooraleer je ze even kan laten rusten..."

Ook wanneer de cliŽnt komt bij iets kostbaars of iets met een tedere kwaliteit, is deze wijze van ruimte maken soms meer geschikt dan het 'wegzetten'. Op deze manier vindt de cliŽnt een goede plek voor het probleem in zijn lichaam, terwijl hij er toch niet meer mee samenvalt. Bijvoorbeeld bij een cliŽnte die in haar buik het enorme gemis voelt nadat haar baby kort na de geboorte gestorven is, suggereert de therapeut: "Adem op vriendelijke wijze naar die pijnlijke plek toe... Kan je met je adem een ruimte maken waarin dat gemis een plaats krijgt ?..."

Soms kan die 'ruimte' die er met de adem in het lichaam gemaakt wordt, nog 'verbeeld' worden met behulp van een metafoor zoals bijvoorbeeld: een 'wieg' waarin 'het' gelegd wordt.

Een vierde mogelijkheid om het proces van afstand vinden tot iets overweldigends te faciliteren kan erin bestaan dat de therapeut aan de cliŽnt vraagt om contact te maken met een 'goede plek'. Die goede plek kan op fantasieniveau worden teruggevonden in een ervaring uit het verleden van de cliŽnt; een beleving waarvan de cliŽnt zich kan herinneren dat hij zich heel gelukkig heeft gevoeld. Bijvoorbeeld: "In de tuin van mijn grootouders stond een grote boom, daarin voelde ik mij geborgen." Het kan ook iets zijn dat de cliŽnt zich gewoon voorstelt; bijvoorbeeld op een strand liggend of bezig zijnd met een geliefkoosde activiteit zoals bijvoorbeeld motorrijden. Vanuit de geliefkoosde plek of bezigheid, die voldoende ontspanning blijft geven, wordt de cliŽnt uitgenodigd om de (voordien overspoelende) problemen gade te slaan. Ook kan de goede plek ergens in het lichaam worden opgezocht, bijvoorbeeld een reumapatiŽnt die zo overweldigd wordt door haar pijn, krijgt de vraag of er ergens in haar lichaam een plek is zonder pijn. Ze ontdekt dat haar gelaat aangenaam voelt. Terwijl ze haar aandacht in haar gelaat houdt, kan ze verder werken aan haar problemen zonder overspoeld te worden door haar pijn. Deze werkwijze van concentreren op een 'goede plek' en de daaraan verbonden positieve gewaarwordingen op de voorgrond houden, is zeer helpend bij reŽle fysieke pijn. Het blijkt zelfs dat er vanuit de beleving van de 'goede plek' niet alleen een pijnstillend effect uitgaat, maar zelfs een helende werking.

Welke werkwijze men ook verkiest om afstand te maken, in geen enkel geval is het creŽren van afstand gelijk te stellen met: het probleem 'wegzetten' , 'vergeten' , 'verdringen'. Het is eerder een 'goede plaats' ervoor vinden, waarnaar men steeds op vriendelijke wijze zoekt, in overleg met de gevoelens en de beelden die zich vanuit de cliŽnt aandienen. Het gaat om het installeren van een betere verhouding, waarbij de cliŽnt de ruimte krijgt om naar problemen te kijken in plaats van ermee samen te vallen, waarbij de energie en de helende kracht van het observerende zelf kan aanwezig komen om de problemen het hoofd te bieden en de situatie in de hand te houden. Door zich te disidentificeren van het probleem, is de cliŽnt ook in staat om een beter zicht te krijgen op wat het probleem precies is (van op enige afstand ziet hij meer dan wanneer hij erop zit) en wordt hij in staat gesteld om er desgewenst echt zorg voor te dragen (niet meer samenvallen met bijvoorbeeld het 'gekwetste kind' geeft de cliŽnt ook de gelegenheid om vanuit zijn 'volwassen deel' troost en verzorging te geven aan dat 'kinddeel').

Pas als die verhoudingswijze van contact hebben, maar niet samenvallen, er is, kan er gestart worden met het inhoudelijk werken rond het probleem.

(In het hoofdstuk: 'Emoties in therapie' vindt de lezer nog andere voorbeelden die de verschillende wijzen van afstand maken tot overspoelende emoties illustreren.)

 

1. c. Ruimte maken

Ook zonder dat de cliŽnt 'te dicht' of 'te ver' van zijn problemen zit, kan het zinvol zijn om te starten met het proces van 'ruimte maken' om aldus op een open wijze aan het lichaam de tijd te geven om kenbaar te maken wat het allemaal meedraagt.

Daarbij wordt eerst aandacht gegeven aan het comfortabel zitten en wordt de aandacht in het lichaam gebracht middels het volgen van de ademhaling.

Dan stelt de cliŽnt zichzelf de vraag: "Hoe gaat het nu met mij? Wat voel ik dat ik op dit moment allemaal meedraag? Wat dient zich aan in mijn gewaarwording? "

Elke gewaarwording, elk onderwerp, elk gevoel... dat zich meldt, krijgt erkenning. Men raakt het even aan en vervolgens geeft men het een plaats, zonder er reeds inhoudelijk op in te gaan. Men kan dat bijvoorbeeld doen door het even luidop te benoemen, of door er iets van neer te schrijven, zoals men een boodschappenlijst maakt zonder dat men reeds de boodschappen doet. Tijdens therapie kan de cliŽnt luidop de verschillende dingen die hem bezig houden verwoorden en de therapeut reflecteert ze kort. Ook hier kan het krachtiger werken door elke topic neer te schrijven en het papier ook daadwerkelijk een plek te geven in de therapieruimte op de afstand die juist aanvoelt. Men kan daarmee doorgaan totdat men het gevoel heeft dat al de bekommernissen daarmee erkend zijn en even neergelegd.

Nadat men alle problemen een goede plaats heeft gegeven, kan het gebeuren dat cliŽnten diepe ervaringen kennen van vrede, rust, levensenergie, gecentreerdheid... die soms het karakter aannemen van spirituele/religieuze/transcendente ervaringen. Vandaar dat het zeer bevredigend kan zijn om deze stap afzonderlijk te doen, ook zonder verdere uitdieping van een probleem.

De focusingstap 'ruimte maken' is vergelijkbaar met sommige meditatieve technieken. Men verlegt de aandacht van buiten naar binnen, van spreken naar stilte, van denken naar gewaarworden en men geeft het lichaam de gelegenheid om aan de oppervlakte te brengen wat het (vaak ongemerkt) allemaal meedraagt. Alles wat zich aandient, krijgt even aandacht zonder dat men ergens dieper op ingaat. Vervolgens wordt alles neergezet, de persoon komt los van de identificatie met zijn problemen, waardoor er een ruimte vrijkomt in de persoon, waarbij een toevloed van positieve energie en lichtheid kan worden ervaren. Dat proces is helend op zich, het brengt een gewaarwording van een 'nieuw ik' , dat niet 'aangetast' wordt door moeilijkheden, maar in de positie van een observerend zelf een betere omgangsvorm kan vinden tot de problemen.

Ikzelf vind het uiterst nuttig om deze voorbereidende stap van het focusingproces kort (10') met mezelf te doorlopen vooraleer ik mijn cliŽnten ontvang. Aldus krijg ik bij het begin van mijn werk voeling met de diverse ervaringen die op dat moment in mij leven. Daardoor is er minder kans dat ik ze ga vermengen met de topics van de cliŽnt. Ook is het helpend om mijn bekommernissen op die wijze neer te zetten, zodat ik daar niet meer mee bezig ben terwijl ik mijn aandacht aan de cliŽnten moet kunnen geven. Dezelfde beweging maak ik aan het einde van mijn werk. Het helpt mij om de problemen van cliŽnten weer neer te zetten en niet als een zware last mee naar huis te nemen. De stap van 'ruimte maken' kan aldus een vorm van 'mentale hygiŽne' zijn voor de therapeut.

Na de fase van 'ruimte maken' kan men - indien men dat wenst - uit de 'lijst' van problemen er ťťn uitkiezen om verder mee te werken. Daarmee vangt dan het volgende proces van de focusingbeweging aan.

 

2) De volledige lichamelijk gevoelde betekenis / Expliciteren van het impliciet gevoelde

De meest gebruikelijke toegang voor de gevoelde betekenis is langs een vage lichamelijke gewaarwording, bijvoorbeeld een sensatie van spanning, zwaarte, trilling, druk.. in een specifieke zone van het lichaam: ogen, keel, schouders, borstkas, maag, buik ... of een vaag onbehaaglijk gevoel dat men niet echt kan thuiswijzen, maar dat toch niet verdwijnt.

In het voorbeeld van Oskar, de cliŽnt die zich aanvankelijk in een verhoudingswijze van 'te ver' van zijn beleving bevond, kwam de cliŽnt - nadat hij met zijn aandacht doorheen zijn lichaam werd begeleid - in contact met een spanning in de maagstreek. We illustreren vervolgens hoe de therapeut de cliŽnt begeleidt om daaruit een gevoelde betekenis te laten komen:

C:"Dat gevoel in mijn maagstreek... die spanning daar... dat is het meest krachtige."

T:"Daar word je iets krachtigs gewaar... Blijf daar maar bij en kijk maar wat zich daar verder meldt..."

C:"Het wil eruit springen, zoals een duivel uit een doos... "

T:"Iets wil eruit springen...." (stilte)

C:"Haat... maar dat is voor mij heel ongebruikelijk."

T:"Je aarzelt om het woord 'haat' te gebruiken, maar dat springt eruit voor je?"

C:"Ja, haat... dat voelt krachtig... dat is het."

T:"Haat ... dat woord past het beste bij hoe het voelt..."

C:"Dat geeft me ook kracht!"

T:"Je wordt gewaar dat je haat vergezeld gaat van de ervaring van kracht."

C:"Ik heb mij altijd teruggetrokken tegenover die vriend, terwijl hij mij zo vaak gekwetst heeft! (C. vertelt over een voorval waarin hij zich diep vernederd gevoeld heeft) "

T:"Dat wil je niet meer laten gebeuren... Je wil met kracht tegenover hem blijven staan?"

C:"Ja, dat voelt goed... dat is het... (zucht, zit meer ontspannen, stilte)...Het is de laatste keer geweest dat ik hem zoveel macht over mij heb gegeven... Ik zie hem morgen en dan zal ik krachtig duidelijk maken dat ik mij niet meer laat opzij zetten... " (C. zet zich rechtop en overloopt verder wat hij wil zeggen aan die vriend).

In het voorbeeld vertrekt de cliŽnt van de spanning in zijn maagstreek, waarbij hij het woord 'krachtig' gebruikt. De therapeut valoriseert die lichaamssensatie door ze te reflecteren en de cliŽnt daarbij te laten wachten. Daarmee introduceert de therapeut de 'focusingattitude'. Dan komt er meer; de betekenis opent zich verder via symboliseringen/beelden als: 'eruit springen', 'zoals een duivel in een doos'. Opnieuw neemt de therapeut dit zonder meer over en laat stilte (focusingattitude) om het innerlijk gevoelde tijd en ruimte te geven om zich verder te ontvouwen. Vervolgens komt 'haat' naar boven, een emotie die in deze beleving vervat ligt. De therapeut geeft de cliŽnt de gelegenheid om te doorvoelen of de woorden die de cliŽnt gebruikt ook werkelijk overeenkomen met het gevoel vanbinnen. Daartoe herhaalt de therapeut die woorden - 'handvatten' genoemd in focusingtermen - letterlijk. Dit is belangrijk omdat een lichte wijziging in de woorden reeds een andere nuance zou kunnen inbrengen die niet meer overeenstemt met wat de cliŽnt precies ervaart. Wanneer de cliŽnt zijn uitdrukkingen 'gespiegeld' krijgt, kan hij 'toetsen' aan zijn beleving of die uitdrukkingen het ook exact weergeven. Dit toetsingsproces wordt in focusingtermen 'resoneren' genoemd. Daarbij kan de cliŽnt beamen dat de gebruikte uitdrukking 'juist' is en/of hij kan ze corrigeren en/of aanvullen. Vervolgens legt de cliŽnt een verbinding met de situatie die deze gevoelens bij hem oproepen. Hij onderkent dat zijn vriend hem vaak gekwetst en vernederd heeft. De therapeut laat de cliŽnt enige ruimte om te vertellen over die situatie en brengt dan enkele elementen die de cliŽnt eerder aanhaalde, tezamen. Daaruit komt de 'groeistap', het 'nieuwe', waarbij de cliŽnt duidelijk gewaarwordt (zucht, ontspanning in het lichaam) dat er iets in hem 'verandert'. Die gevoelde verschuiving - in focusingtermen spreekt men van een 'shift' - is een teken dat de betekenis zich volledig heeft kunnen uiten en dat de explicitering van het impliciet gevoelde geleid heeft tot een wezenlijke veranderingsstap.

 

Een volledige gevoelde betekenis ontvouwt zich meestal doorheen vier componenten:

a) een lichamelijke sensatie; b) emoties; c) een situatie in de buitenwereld; d) symboliseringen/beelden. De volgorde waarin deze zich voordoen is niet zo belangrijk. CliŽnten hebben verschillende voorkeuren om te starten met een specifieke component en om extra uit te weiden rond bepaalde elementen. Wanneer de verschillende componenten zich niet vanzelf ontvouwen, moet de therapeut de ontbrekende componenten evoceren opdat de gevoelde betekenis volledig aanwezig kan komen. Het gesprek loopt immers vaak vast omdat de cliŽnt en de therapeut blijven steken in dezelfde component(en) terwijl er langs die weg geen ontwikkeling meer komt. Wanneer de therapeut oog heeft voor de ontbrekende component(en), is hij in staat om het stagnerende gesprek te faciliteren in de richting van een vernieuwende beweging.

Het ontbreken van een lichamelijke sensatie kan bijvoorbeeld worden uitgenodigd door een suggestie als: "Kan je eens nagaan hoe je dat in je lichaam gewaarwordt?"

Als de cliŽnt wel lichaamssensaties heeft, maar verder niets, is het helpend te vragen: "Welke emotionele kwaliteiten zitten er in die gewaarwording? Voelt het als iets beangstigends, of iets drukkends, of iets plezierigs, of welke emotionele kleur heeft het?"

De verbinding met iets in het leven van de cliŽnt moet altijd tot stand komen, zoniet blijft het een serie vage gewaarwordingen waar de cliŽnt niet mee vooruit komt. Die situatie kan geŽvoceerd worden door vragen als: "Wat in je leven voelt zo?" of "Kijk of je dit met iets uit je leven kan verbinden..."

De symboliseringen dienen zich doorgaans vanzelf aan. Als de cliŽnt niet tot uitdrukkingen komt, kan de therapeut vragen of er bepaalde woorden naar boven willen komen, of een beeld, of kleuren, of vormen, of een beweging...(het werken met tekeningen, klei, lichamelijke expressie... kan in deze fase een bijzonder uitnodigend alternatief zijn voor een louter verbale benadering, vooral wanneer de cliŽnt moeilijk tot symboliseren komt, of ook wanneer de cliŽnt te gemakkelijk hervalt in rationaliseren). Bij elke symbolisering die er komt, geeft de therapeut de gelegenheid aan de cliŽnt om te toetsen of die uitdrukkingen 'het' juist weergeven. Terwijl de cliŽnt zich uitdrukt, kan het gevoel ook verder veranderen en komen er nieuwe uitdrukkingen waarmee het gevoelde zich weer verder ontvouwt. Het criterium voor 'juistheid' ligt altijd in de lichamelijke gewaarwordingen van de cliŽnt.

De kracht van een symbolisering is niet alleen dat daarmee het impliciet gevoelde naar buiten wordt gebracht. De symbolisering is ook een 'handvat': heel het gevoel wordt daarmee vastgenomen en kan aan de hand van die uitdrukking opnieuw opgeroepen worden. CliŽnten onthouden ook vaak het woord of het beeld dat gepaard ging met een belangrijke verschuiving in hun beleving, om later via dezelfde uitdrukking dat gevoel terug te contacteren.

In het focusingproces wordt er getracht naar een 'voelbare verschuiving' in de beleving van het probleem. Zolang de cliŽnt nog met een gevoel van spanning blijft (zichtbaar in gelaatsexpressie, ademhaling, lichaamshouding), ontbreken er nog elementen of zijn de juiste uitdrukkingen nog niet naar boven gekomen. Dan wordt er vriendelijk gewacht bij wat nog onduidelijk is, of de therapeut kan middels vragen een verdere exploratie faciliteren.

De keuze om bepaalde vragen aan te reiken, is geÔnspireerd vanuit het aanvoelen dat er nog 'meer nieuws' zou kunnen komen vanuit het impliciet gevoelde. Middels die vragen zoekt men om de lichamelijk gevoelde opluchting - die er eventueel al lichtelijk kan zijn - nog te versterken of ten volle te laten doorbreken. Het zijn open vragen die gesteld worden aan de lichamelijk gevoelde betekenis en vervolgens wordt er gewacht op wat zich van daaruit aandient. Vaak komen er dan nog onverwachte betekenissen aan het licht.

Er kan gekozen worden uit verschillende soorten van vragen:

1. Algemene vragen, zoals: "Wat is er in dat alles dat mij zo doet voelen?" , "Indien 'het' zou kunnen spreken, wat zou het dan zeggen?" , "Is er nog iets in dat gevoel dat wil opgemerkt worden?" , "Wil het nog meer zeggen?" , "Wat zit mij in de weg om het ten volle te voelen?"

2. Specifieke vragen, zoals: "Wat is daarin het ergste?" , "Wat valt me hierin het moeilijkste?" , "Wat is daarin het beste voor mij?", "Wat is de kern van dat probleem?" , "Wat is mij daarin het dierbaarst?"

3. Bewegingsvragen, zoals: "Wat heeft het nodig?" , "Wat zou ontspanning kunnen brengen?" , "Wat mis ik daar nog in?" , "Hoe zou het eruit zien als het opgelost was?" , "Als ik hier rond niet geblokkeerd was, wat zou er dan kunnen komen?"

Al deze vragen worden op vriendelijke suggestieve wijze voorgelegd met een introductie als: "Zou je eens aan dat gevoel kunnen vragen...." , "Je kan eens proberen of het hierop wil antwoorden...." De lichamelijk gevoelde betekenis 'moet' geen antwoord geven, het stellen van de vragen bedoelt eerder de gelegenheid te scheppen om het innerlijke weten ten volle te laten openen. Soms hebben cliŽnten daarbij geen vragen nodig, dan volstaat de suggestie: "Je kan er op vriendelijke wijze bij blijven en zien of er nog meer wil komen of dat er zich nog iets anders wil melden."

De vier volgende illustraties, waarbij de cliŽnt telkens vertrekt vanuit een andere component, verduidelijken hoe de volledige lichamelijk gevoelde betekenis zich kan ontvouwen in de praktijk van de gesprekstherapie.

 

2.a. Start vanuit lichamelijke sensatie

Voorbeeld: Erna, 44 jaar, 18de sessie:

C:"Ik voel mijn hart zo kloppen!"

T:"Iets doet je hart voelbaar kloppen...(stilte)... Hoe is dat om je hart zo te voelen?"

C:(zucht) "Het lijkt op angst, maar het is geen angst."

T:"Angst is niet het woord dat echt past... blijf maar bij het gevoel ..."

C:" 't Is eerder een soort van ( haalt diep adem) nervositeit..."

T:"Iets dat je nerveus maakt... (stilte) ... Tast eens af of dat woord er het best bij past... of dat er nog andere woorden opkomen?"

C:"Gespannen verwachting... dat is het! Mijn hart slaat als trommels die iets aankondigen!"

T:"Je voelt een gespannen verwachting... heb je een idee wat zich aankondigt?" (stilte)

C:"Ik weet wat het is... 't is een feest waar ik morgen naartoe moet..."

T:"Dat feest roept spanning op..."

C:"Nu voel ik mijn hart nog harder kloppen... ik euh... ik durf het niet echt toegeven, maar eigenlijk ga ik daar naartoe met de verwachting dat ik de ideale man zal tegenkomen... "

T:"Dat maakt het spannend! Maar het is geen prettige spanning?"

C:"Nee... (stilte)... de spanning is ook de angst dat het weer zal tegenvallen."

T:"Dat heb je al meerdere keren meegemaakt, dat je verwachtingen niet uitkomen..."

C:"Dat maakt het des te pijnlijker..."

T:"Kan je eens aan je lichaam vragen wat het hier rond zou nodig hebben om zich te kunnen ontspannen?"

C:(stilte, zucht) "Dat ik gewoon naar dat feest ga en geniet van het gezelschap, zonder mij af te vragen of er een huwelijkskandidaat tussen zit..."

T:"Kijk eens of je lichaam dat beaamt: gewoon naar het feest, zonder de verwachting van de man van je leven te ontmoeten..."

C:(lacht) "Dan lijkt het zelfs een prettig vooruitzicht... ik ken enkele mensen die er zullen zijn en daar vind ik het wel mee." (zit zichtbaar ontspannen).

2.b. Start vanuit emoties

Voorbeeld: Ivo, 32 jaar, 6de sessie:

C:Ik voel me voortdurend schuldig, beschaamd ook en onrustig."

T:"Hoe word je die gevoelens gewaar in je lichaam?"

C:"Dat stuwt in mijn borst... "

T:"Een gevoel van stuwing... zoals een drang die een uitweg zoekt?"

C:"Ja... (stilte, wat verlegen blozend)... ik heb daar zelfs een beeld bij van een grote moederborst met veel melk..."

T:"Alsof je overvloed vraagt om te geven..."

C:"Ja, dat is! Het gaat mij zo goed...(zucht, stilte) ... Als ik daarvan niet deel met anderen, voel ik mij ongemakkelijk om wat ik heb."

T:"Het vraagt om te delen met anderen... Is er in dat gevoel nog meer dat vraagt om opgemerkt te worden?" (stilte)

C:"Ja... daar zit nog iets... ik merk dat ik daar verdrietig bij word, maar ik weet niet wat het is."

T:"Geef het maar tijd om zich te verduidelijken..."

C:"Opeens denk ik: 'ik zal nooit kinderen hebben' (cliŽnt is homo). Ik heb mij nooit eerder gerealiseerd hoezeer me dat raakt. Dat is het! (diepe zucht)."

 

2.c. Start vanuit situatie

Voorbeeld: Maria, 56 jaar, heeft doorgaans een zeer lage dunk van zichzelf. In de 23ste sessie vertelt ze over een situatie op reis waarbij een andere vrouw van de groep haar gezelschap zocht. Ze heeft allerlei verklaringen aangehaald waarom die vrouw in haar geÔnteresseerd zou kunnen zijn.

T:"Neem eens je tijd om alles wat je daar rond nu al gedacht hebt, even opzij te zetten en zo als 't ware eens fris te voelen hoe dat voor je is, wat je tegenkomt in je lichamelijk gewaarworden als je terugdenkt aan die situatie met die vrouw op je reis..."

C:(stilte) "Dat is zo een soort warmte (lachend) "

T:"Het wordt warm in je..."

C:"Ja en ook zo... een soort gemoedelijke tederheid maar... heel rustig en traag..."

T:"Iets warms, iets gemoedelijks, teder, rustig..."

C:"Ja... ontroerend zelfs... (stilte)... ja zo een soort traagheid, zo van op een aardkluit te gaan zitten... zo een stuk klei..."

T:"Het is ontroerend om je eigen geaardheid, die iets van traagheid heeft, zo tegen te komen..."

C:"Ja en het ontroert me ook dat dat er mag zijn... hier (zucht) ... Dat was ook zo met die vrouw op reis!... We hadden iets van diezelfde aard of geaardheid die zo anders is dan wat ik meestal tegenkom in mijn omgeving." (stilte)

T:"Misschien is er daar rond nog meer dat zich aan je wil melden... Zou je eens aan je gevoel kunnen vragen of het nog meer wil, of hoe het graag verder zou gaan?" (stilte)

C:"Als ik zou durven, zou ik aan die vrouw willen laten weten dat ik het zo fijn vond met haar... maar ik weet niet of ik dat niet te opdringerig vind..."

T:"Kan je eerst eens even ruimte laten voor dat idee... hoe voelt dat als je je dat voorstelt dat je haar laat weten dat je het fijn vond..." (stilte)

C:"Opwindend... eigenlijk heerlijk... het voelt ook juist om dat tegenover haar te doen."

T:"Het lijkt een opwindend, heerlijk idee..."

C:"Hoe meer ik er bij stil sta... hoe prettiger het voelt... Oh... je vindt me toch niet dwaas?"

T:"Dacht je dat echt?"

C:"Nee... Het is eerder dat ik... ik heb me in jaren niet meer zo jong gevoeld... "

 

2.d. Start vanuit symbolisering

Voorbeeld: Rudy, 28 jaar, spreekt heel vaak in beelden. De therapeut moet bij deze cliŽnt meestal veel moeite doen om hem naar een volledige lichamelijk gevoelde beleving te laten evolueren. De 29ste sessie:

C:"Ik leef met een schaduw die ik niet kan amputeren."

T:"Kan je iets meer zeggen over wat je daarbij beleeft?"

C:"Gewoon, dat is een gevoel dat ik altijd heb."

T:"Iets van een onaangenaam gevoel dat je niet kan kwijtraken?"

C:"Zoiets..."

T:"Misschien kan je het zelf nauwkeuriger omschrijven hoe het in jou voelt?"

C:"Altijd iets donkers dat me vergezelt."

T:"Wat in je leven ervaar jij als zoiets donkers dat je altijd vergezelt?" (stilte)

C:"Ik weet niet of het dat is... maar het eerste waar ik aan denk... dat is de zelfmoord van mijn vader..."

T:"De zelfmoord van je vader... dat voelt als een schaduw over je leven... neem maar je tijd om te voelen of je lichaam dat beaamt..." (stilte)

C:"Ja... dat heeft me zo beÔnvloed, ik ben daar zo door getekend, ik kan dat nooit ongedaan maken..."

T:"Hoe voel je die invloed, die tekening in je lichaam ?"

C:"Ik voel juist het tekort... zoals geen ruggengraat... geen richting in mijn leven."

T:"In je lichaam word je gewaar dat je een vader ontbreekt - geen ruggengraat, geen richting, noem je het - en zijn zelfmoord blijft als iets donkers aanwezig ..."

C:"Het is precies iets dat mij ook boven het hoofd hangt... alsof ik ook wel met zelfmoord zal eindigen..."

T:"Het hangt boven je - zeg je - en het lijkt je in te fluisteren dat zelfmoord ook jouw uiteindelijke richting is. We moeten daar straks misschien verder op ingaan. Ik zou je nu eerst willen vragen: Hoe voelt dat dan daarbinnen in je?" (stilte)

C:"Dat is een grote lege ruimte."

T:"Een grote lege ruimte... Waar zit dat gevoel van die lege ruimte vooral ? "

C:"Hm (stilte) .... Hier in mijn buik vooral (wijst met zijn hand naar de plek)."

T:"Ja, leg gerust je hand op die plaats waar je het vooral voelt... Komen omtrent die ruimte nog andere kwaliteiten bij je op ?" (stilte)

C:"Koud..."

T:"Mag ik je een suggestie doen?... Probeer eens met je adem in die ruimte te gaan, zodat je die ruimte als 't ware verwarmt met je adem... Wil je dat proberen?"

C:"Hm... (stilte, diepe zucht)... dat voelt goed.... precies of ik maak een vuurtje in die ruimte... ja (glimlacht) zo is het ook een plek waarin ik zou kunnen thuiskomen..."

Dit fragment stelt de therapeut voor de keuze om verder te delven naar de 'stille innerlijke stem' - die een gewaarwording is in het lichaam - of om de cliŽnt te volgen in zijn beleving omtrent wat 'boven zijn hoofd hangt' (wat te begrijpen is als een interfererende reactiewijze die ook aandacht vraagt). In dit focusingproces geeft de therapeut prioriteit aan het 'gronden' van de cliŽnt in zijn eigen lichaam en daar het ontstaan van een goede plek te bewerken.

Woorden die vanuit de 'innerlijke stem' komen zijn niet alleen herkenbaar doordat ze meestal vanuit het centrum van het lichaam komen, ze komen ook trager en niet met veel tegelijk, ze klinken verrassend, nieuw en soms irrationeel, maar bovenal: ze geven een gevoelde opluchting en nieuwe energie. Het onderscheid met 'stemmen van buiten' wordt in de volgende focusingfase uitgewerkt.

 

3) Ontvangen van de beleving / Omgaan met de interfererende reactiewijzen

De cliŽnt moet in een vriendelijke verwelkomende attitude kunnen blijven om het nieuwe dat zich in zijn beleving kan melden, te ontvangen. GeÔnteresseerd en vriendelijk aanwezig blijven is niet hetzelfde als het goedkeuren of het graag hebben. Bijvoorbeeld de cliŽnt hoeft iets pijnlijks niet graag te hebben, maar kan wel vriendelijk blijven voor dat deel van zichzelf dat die pijn moet dragen, of als de cliŽnt een oplossing ziet die iets agressiefs inhoudt tegenover een ander, hoeft hij het niet goed te vinden, maar hij kan het wel met interesse verder beluisteren.

Therapeut en cliŽnt blijven aandachtig aanwezig bij wat zich probeert uit te drukken. Indien de cliŽnt de neiging heeft om te snel over iets heen te gaan of iets niet echt op te nemen, kan de therapeut uitnodigen tot meer ontvangen, met een suggestie als: "Geef jezelf wat langer de tijd om daarbij te blijven en te kijken hoe dat voelt, zonder dat je het onmiddellijk moet beoordelen of inpassen in wat je al weet."

Heel vaak duiken er op dit punt 'interfererende karakters' op. Het zijn reactiewijzen die ooit helpend waren voor de cliŽnt, maar die nu 'structuurgebonden' reactiewijzen zijn, wat wil zeggen: ze komen te pas en te onpas opdagen, ongeacht de omstandigheden; ze houden de cliŽnt vast in oude gedragspatronen die niet meer overeenstemmen met de huidige situatie.

Als de therapeut hier niet-directief mee omgaat, blijft de cliŽnt op steeds dezelfde wijze vastlopen. De therapeut dient actief tussen te komen om de cliŽnt te helpen bij: a) het identificeren van een interfererende reactiewijze; b) zich ervan te disidentificeren; c) het te visualiseren of te materialiseren of er een 'gezicht' aan te geven; d) te exploreren wat er de functie van was/is;

e) het opzij te zetten of er een nieuwe plaats aan te geven; f) terug te keren naar dat deel in de persoon dat in de greep zit/zat van het interfererend karakter.

a) het identificeren van interfererende karakters

Interfererende reactiewijzen zijn herkenbaar - en daardoor te onderscheiden van een lichamelijk gevoelde betekenis - door hun voorspelbaarheid en hun stereotype uitdrukkingen. Bijvoorbeeld als een steeds weerkerende stem die zegt: "Doe niet zo flauw" , "Wees redelijk" , "Het zal toch mislukken" , "Dat mag niet" , "Je moet zelfstandig zijn" , "Jij kan ook niets" , "Wees flink" , "Dat is te banaal", "Dat is geen oplossing"... of als steeds dezelfde weerkerende negatieve gedachten en gevoelens: "Ik ben niets waard", "Ik ben geboren voor het ongeluk", "Niemand ziet mij graag"... enz. Verder zijn de interfererende reactiewijzen gekenmerkt door de onvriendelijke, eisende, neerhalende, deprimerende, zagende, scherpe, snelle, luide toon... waarmee ze de zachtere, prillere stem van het innerlijke weten gemakkelijk overroepen of onderdrukken.

De interfererende reacties zorgen dat de cliŽnt zich slechter gaat voelen, ze houden hem beneden zijn mogelijkheden, ze remmen hem af, ze beletten hem om ten volle te leven, of de cliŽnt kan zich pas goed voelen nadat hij aan hun eisen heeft voldaan. Ze behartigen niet - zoals het innerlijk weten wel vaak doet - de belangen van het kind of het kwetsbare of het vitale.

Het verschil in 'spreekstijl' kan blijken wanneer bijvoorbeeld de cliŽnt aarzelt bij een bepaalde taak; de interfererende stem zegt: "Jij bent lui, jij deugt nergens voor" , terwijl de stem van het innerlijk weten veel vriendelijker reageert: "Je hebt het precies moeilijk met die taak".

De therapeut dient dus eerst en vooral in staat te zijn om het opdagen van een interfererend karakter te herkennen. Vanuit die herkenning kan de therapeut de keuze maken om 'de storing' gewoon even terzijde te laten en de aandacht te richten naar de meer centrale ervaring van de gevoelde betekenis die zich nog verder kan ontplooien; ofwel de cliŽnt te volgen in zijn aandacht voor het interferend karakter, maar er een alternatieve omgangsvorm mee te helpen ontwikkelen, zoals dat in de volgende stappen verder wordt beschreven.

b) laten disidentificeren of afstand nemen

Als de cliŽnt spreekt vanuit een interfererend karakter moet de therapeut een boodschap of een instructie geven waarmee de cliŽnt geholpen wordt om zich los te maken van de stem die 'tot hem spreekt' of om die negatieve gedachten en gevoelens te kunnen zien als 'een deel' van zijn persoon, waarmee hij niet geheel samenvalt. Een eenvoudige herformulering door de therapeut kan soms reeds het accent verleggen en de cliŽnt uitnodigen om niet geheel samen te vallen met de interfererende reactie. Bijvoorbeeld de cliŽnt zegt: "Ik haat het om zo zwak te zijn!" en de therapeut reflecteert: "Daar is een deel in jou dat er niet tegen kan als er iets van zwakte zou kunnen komen... Kan je eens kijken wat er daar is dat zich zo moet weren?"

Naast het benoemen van 'een deel' in de persoon, kan de therapeut de disidentificatie meer concretiseren door de cliŽnt te vragen om 'het' op fantasieniveau 'voor zich' te plaatsen. Voor de meeste cliŽnten leidt dat opvallend snel tot een 'in-zicht' , ze 'zien' iets voor zich dat geleidelijk meer betekenis voor hen krijgt. De ontdekking van betekenis wordt sterk bevorderd door de volgende stap die meestal nauw volgt op het op afstand zetten.

c) laten visualiseren of er een 'gezicht' aan geven of het materialiseren

De therapeut nodigt de cliŽnt uit tot de beschrijving van wat hij 'voor zich ziet' wanneer hij die stem op enige afstand zet, of de therapeut vraagt of daar een gezicht bij past of een bepaalde figuur of een personage. De therapeut kan ook vragen om 'het' te tekenen of in klei uit te drukken. Of de therapeut kan de cliŽnt uitnodigen om uit zijn stoel te komen en met heel zijn lichaam 'het personage' uit te beelden. Of wanneer het een groepstherapie is, kan de cliŽnt ťťn van de andere groepsleden instrueren om de 'rol' op te nemen of om het personage 'in bewaring' te houden. Het is opvallend hoe gemakkelijk cliŽnten een concrete beschrijving kunnen geven van 'de figuur' die opdaagt. Soms zijn dat de reŽle ouderfiguren, vaak zijn het figuren die symbool staan voor het strenge, het harde, het eisende, maar ook het stevige, het beschermende, het veilige, zoals: schoolmeesters, politiemannen, soldaten, oude tantes, directrices... Soms 'ziet' de cliŽnt een dier of een meer abstracte vorm zoals: een papegaai, een slang, een waakhond, een blok graniet, een hoge muur, een waterval...

d) helpen exploreren wat de functie is/was van het interfererend karakter

Een interfererend karakter is een machtig deel van de persoon, dat ofwel ooit werd overgenomen van ťťn van de ouders of van belangrijke gezagsfiguren, ofwel werd het in leven geroepen om zichzelf te beschermen of te overleven in moeilijke en pijnlijke omstandigheden.

Het interfererend karakter heeft vaak de belangrijke functie gehad om het 'kwetsbare kind' te helpen en te beschermen, of om ondraaglijke gevoelens in toom te houden. Maar het blijft dat doen, ook wanneer het niet meer nodig is. Het kan niet nuanceren of differentiŽren, het handelt in 'alles of niets' termen. Met behulp van de therapeut leert de cliŽnt ontdekken hoe het interfererende karakter in zijn leven is gekomen en op welke manier het hem 'van dienst' is geweest.

Wanneer het interfererend karakter wordt geŽxploreerd laat men eerst weten aan de stem dat men 'gehoord' heeft wat die te zeggen heeft. Dat geeft meestal een meer ontspannen relatie bij de cliŽnt ten opzichte van het 'storende deel' . Daaropvolgend vraagt men naar de 'goede bedoelingen' van de stem. Wanneer die duidelijker zijn geworden beschikt men over betere informatie om de volgende stap te zetten.

e) het opzij zetten of er een nieuwe plaats aan geven;

Wanneer het louter een introjectie is van iets wat men bij de ouders gezien heeft, voelt de cliŽnt zich meestal snel opgelucht wanneer hij het 'door-ziet' en heeft de cliŽnt weinig problemen om het los te laten of het opzij te zetten. Een eenvoudige instructie vanwege de therapeut om 'het' verder weg te zetten, of de vraag aan de cliŽnt om 'dat' erbuiten te laten, wordt dan meestal positief beantwoord door de cliŽnt. Wanneer het echter gaat om een deel dat in leven werd geroepen om het kwetsbare kind te beschermen, dan moet de therapeut veel omzichtiger en zorgzamer tewerk gaan. Het zou van zeer weinig respect getuigen om zo'n deel zonder meer opzij te zetten, het is immers ooit een belangrijke bondgenoot geweest voor de cliŽnt. In dat geval dient er eerst een erkenning te zijn van hoe de cliŽnt geholpen werd met dat interfererende karakter en is het ook zinvol om daarvoor dank uit te spreken. Verder moet de cliŽnt leren zien in hoeverre hij dat deel nu nog wel of niet nodig heeft; leren differentiŽren wanneer er omstandigheden zijn waarin de cliŽnt nog steeds de bescherming of de hulp van dat karakter kan gebruiken en ook onderscheiden wanneer diezelfde reactiewijze juist hinderlijk wordt. Meestal is dit een proces waarin er een 'machtsverschuiving' plaatsvindt: in plaats dat de cliŽnt 'in de greep' blijft van het interfererende karakter, neemt hijzelf de zeggingsschap over het interfererende karakter terug bij zich. De cliŽnt beslist opnieuw welke plaats hij wil geven aan dat deel van hemzelf.

f) terugkeren naar dat deel in de persoon dat in de greep zit/zat van het interfererend karakter

Hierin wordt de overgang gemaakt naar het deel in de persoon dat onderdrukt is geworden door het interfererend karakter, hierin wordt geŽxploreerd hoe het is om in de greep te zitten van zo'n streng, veeleisend, bekritiserend... personage. Hierin wordt ook gevraagd wat dat onderdrukte deel werkelijk nodig heeft. Meestal komt er bij de cliŽnt veel kwaadheid of verdriet boven en vaak ontdekt de cliŽnt dat hij eigenlijk een begrijpende, liefdevolle, ondersteunende figuur in de plaats wenst. Voor sommige cliŽnten is het helpend om ook de 'vervanging' in een metafoor te gieten, bijvoorbeeld: een vriendelijke olifant die de weg vrij maakt, een hartelijke moedergodin die troost geeft, vleugels rond zich waarmee men zich beschermd weet...enz.

 

In de praktijk zijn die verschillende aspecten in het werken met de interfererende karakters niet zo netjes af te lijnen. Het is ook niet steeds noodzakelijk om al die stappen te doorlopen. Essentieel is dat de therapeut andere wijzen tot in relatie treden met een interfererend karakter kan aanbieden dan hoe de cliŽnt altijd in diezelfde val loopt. Naargelang de aard en de oorsprong van het interfererend karakter, kunnen bepaalde aspecten meer aandacht krijgen. Daarbij dient de therapeut enerzijds te sturen om een nieuwe interactie in de cliŽnt mogelijk te maken, anderzijds zorgvuldig te volgen in de betekenissen die de cliŽnt aandraagt en de autoriteit omtrent wat 'juist voelt' telkens bij de cliŽnt te leggen.

 

Voorbeelden van hoe interfererende karakters verschijnen tijdens therapiesessies en hoe de therapeut daarop inspeelt met verschillende klemtonen, kunnen illustreren hoe het er in de praktijk kan uitzien. Omdat de fragmenten herleid zijn tot de essentiŽle stappen in het werken met verscheidene 'storingen' , geven ze een wat vereenvoudigd beeld van het soms moeizame zoeken om een interfererend karakter op afstand te zetten en het beter te leren kennen, onderscheiden van de dieperliggende gevoelde betekenis die de cliŽnt in zich draagt.

Brigit, 28 jaar, werd door haar vader seksueel benaderd vanaf haar 6 jaar tot haar 16 jaar. In de therapie is er een sessie waarbij ze in contact komt met 'een diep gekwetst gevoel vanbinnen'. Terwijl ze daarover spreekt, komt er plots een schrille, spottende stem in haar die zegt: "Je moet niet zo overdrijven! Is dat wel waar wat je allemaal zegt? " (stap a). Die stem kent ze heel goed, want met die reactie veegt ze meestal haar gevoelens weg. De therapeut vraagt aan de cliŽnte of ze die stem eens voor zich kan plaatsen (stap b) en dan eens kijken of ze er een gezicht aan kan geven (stap c). De cliŽnte 'ziet' bijna onmiddellijk het gezicht van haar moeder die telkens zo reageerde wanneer de cliŽnte als jong meisje probeerde om moeder op de hoogte te brengen van wat vader deed. De therapeut vraagt de cliŽnte of ze dat beeld van moeder die zulke dingen zegt, verder weg kan zetten (stap e) en de therapeut geeft zelf een vervangende boodschap: "jij voelde je diep gekwetst vanbinnen, geef dat maar ruimte, laat ons daar verder naar luisteren..." (stap f). Vervolgens is de cliŽnte in staat om haar kwaadheid en pijn uit te drukken.

Hans, 38 jaar, spreekt over zijn ongenoegen tegenover zijn partner. Hij voelt iets van kwaadheid komen, maar snijdt direct zijn gevoel af met een vermaning : "Dat is onredelijk tegenover haar, het is niet juist dat ik kwaad ben op haar." (stap a). Als de therapeut vraagt of hij datgene dat daar zegt dat hij niet onredelijk mag zijn, even voor zich kan zetten (stap b) , antwoordt de cliŽnt: "Maar dat ben ik helemaal! Ik kan dat niet voor mij zetten, want dat ben ik juist die redelijke man!"

T: "Je voelt je helemaal samenvallen met dat redelijke deel... Alsof dat onredelijke deel daar helemaal onder weggedrukt zit... Herken je dat zo ?"

C: "Dat klopt."

T: "Hoe voelt dat onredelijke jongetje zich daaronder?" (stap f).

C: "Eigenlijk is dat heel kwaad, maar het mag dat niet laten merken." (CliŽnt begint te wenen.)

T: "Laat het jongetje zijn kwaadheid maar uitdrukken ."

C: "Verdomd, thuis was er nooit iemand kwaad, alleen verdriet kon thuis... (huilt opnieuw) ... ik voel mij zo alleen."

T:"Als je iets van kwaadheid voelde, kwam je in een geÔsoleerde positie thuis?"

C: "Niemand in de familie toonde ooit kwaadheid, mijn moeder weende wel heel veel, vooral na de dood van mijn vader (cliŽnt was toen 8 jaar)... en ik werd gezien als de verstandige, redelijke jongen... vooral na het overlijden van mijn vader heb ik mij heel redelijk gedragen... iedereen vond het prachtig dat ik als oudste ook de steun van mijn moeder kon zijn." (stap d).

T: "Maar eigenlijk was die jongen ook kwaad op vader, op moeder?" (stap f).

C: "Ik wist dat ik het niet zo mocht voelen, want vader kon er niets aan doen dat hij dood was, maar toch, ja, ik was eigenlijk heel kwaad dat hij ons in de steek gelaten had en ik was ook kwaad op moeder dat zij zoveel weende, zij bleef daar helemaal in steken en ze bleef altijd maar zeggen dat vader toch zo'n goede man was... (diepe zucht, stilte) ... Ik ben dat beu om alleen maar redelijk en verstandig te zijn! Dat heeft lang genoeg geduurd! (stap e). Verdomd ik was tenslotte ook maar een kind dat een gewone vader wilde, geen dood ideaalbeeld! "

Jan, 32 jaar, kind van een prostituť, herhaaldelijk zwaar misbruikt (zie ook illustraties in het hoofdstuk: 'Emoties in therapie'), onderkent in een latere fase in een therapiesessie dat hij zich afgesloten voelt van mensen. Als hij zijn gevoel tegenover een vriend exploreert, komt er: "Pas op, vertrouw maar niemand."(stap a). De therapeut vraagt of er een beeld is dat past bij de stem die hem zegt niemand te vertrouwen (stap b en c). De cliŽnt ziet 'een wachter' die altijd de ingang bewaakt. De therapeut vraagt of ze een dialoog kunnen aangaan met die wachter om te horen wat zijn goede bedoelingen zijn (stap d). De cliŽnt 'hoort' dat de wachter hem behoedt voor indringers. Bij verder exploreren van de functie van de wachter, begrijpt de cliŽnt dat hij hem in dienst heeft genomen om te voorkomen dat hij nog zo kan gekwetst worden als vroeger toen hij kind was. De therapeut beaamt dat de wachter heel belangrijk was om het kind in de cliŽnt te beschermen, dat de wachter heel goede diensten heeft bewezen aan de cliŽnt. De therapeut vraagt de cliŽnt om de wachter ook te bedanken voor alles wat hij betekend heeft. Daarna vraagt de therapeut of de cliŽnt af en toe vakantie zou kunnen geven aan de plichtsbewuste trouwe dienaar (stap e). De cliŽnt lacht en ziet dat wel zitten: "Ik zou misschien met mijn wachter kunnen overleggen of hij echt nodig is op elk ogenblik en dan kan ik hem tenminste verlof geven terwijl ik met mijn beste vrienden ben." Therapeut: "Hoe voelt dat nu voor je als je je dat zo voorstelt dat je hem af en toe verlof geeft?" CliŽnt: "Het heeft iets bevrijdends, ook minder eenzaam en saai, want tenslotte zat ik wel altijd afgezonderd met die wachter aan mijn deur."

Guus, 42 jaar, spreekt met enthousiasme over een nieuw plan dat er bij hem is opgekomen. Ineens verandert zijn stemming en hij zegt: "Och het zal toch niet lukken." (stap a).

T: "Waar komt dat ineens vandaan?"

C: "Ik krijg dat altijd, dat is gewoon zo, dan denk ik: 'stel je maar niets voor, het wordt toch niets'...."

T: "Kan je dat ook visualiseren, datgene dat er dan opkomt?" (stap b en c) .

C: "Vroeger zakte ik daar helemaal in weg, maar de laatste tijd ben ik daarop gaan letten omdat jij me dat gevraagd hebt, en nu is dat precies zo'n papegaai die altijd op mijn schouder zit en die in mijn oor pikt."

T: "Dus je valt er niet meer mee samen, maar het komt je wel voortdurend lastig vallen."

C: "Ja en ik krijg die niet het zwijgen opgelegd."

T: "Kan je hem eens vragen waarom die altijd bij je wil zijn?" (stap d).

C: "Die pikt precies in mijn zwakke plekken..."

T: "Hij voedt zich vanuit datgene waarin je kwetsbaarder bent?"

C: "Hij voorkomt dat ik gekwetst word, of hij zorgt dat ik kan ontgoocheld worden... hij is dat altijd voor."

T: "Aha... hij behoedt je voor ontgoochelingen.. Zou je hem kunnen laten weten dat je dat goed gehoord hebt dat hij tracht te voorkomen dat je gekwetst en ontgoocheld wordt."

C:( ontspant, stilte) "Ja... maar hij verhindert ook dat ik nog enthousiast kan zijn, alles sleurt hij erdoor..."

T: "Hij heeft veel macht gekregen."

C: "Ik ben gewoon machteloos om hem te doen zwijgen."

T: "Voel je er iets voor om hem uit te beelden hier in klei of in een tekening?" (stap c).

C: "Ik zou hem wel kunnen tekenen, want ik zie hem zo voor me."

Therapeut geeft aan de cliŽnt een groot blad papier en wascokleurtjes en de cliŽnt begint een papegaai te tekenen. Het vermaakt hem zichtbaar om de papegaai uit te beelden.

C: "Alleen al door hem zo te tekenen, vind ik hem potsierlijk, helemaal niet zo machtig als ik dacht... Ik ga er ook een kooi bijtekenen waarin ik hem zet... Aan de rand schrijf ik - zoals in een strip - alles wat hij uitkraamt... Ik vind het grappig om hem zo te zien als een stripfiguur..." (stap e).

T: "Het voelt precies alsof jij er nu meer macht over krijgt?"

C: "Ja, ik vind hem nu belachelijk."

T: "Wil je hem nog houden, of wat wil je er verder mee?"

C: "In die kooi zit hij goed, dan kan ik hem ook wegzetten als hij overdrijft... Ik wil hem nog niet helemaal kwijt, want soms vind ik hem ook grappig, hij heeft een humor waarmee ik populair ben bij de collega's."

Saskia, 46 jaar, ongehuwd, heeft onlangs een man (Rudy) ontmoet die ze graag mag. In de therapiesessie onderkent ze hoe heerlijk ze zich voelt in zijn gezelschap, maar onmiddellijk spreekt ze zichzelf toe: "Jij bent toch een dwaas en verderfelijk mens! " (stap a). Wanneer de therapeut daarop ingaat komt er meer van hetzelfde. Dan vraagt de therapeut of ze diegene die haar zo toespreekt eens voor zich kan zetten (stap b) en kijken wat er dan komt. CliŽnte beschrijft een 'lange, magere man, helemaal in het zwart gekleed, met een bleek en streng gezicht' (stap c) .

T: "En daarmee ben jij bij wijze van spreken getrouwd."

C:( heel verrast) "Bah, ja! Vreselijk!"

T: "Hoe voelt dat om met hem te leven?" (stap f) .

C:"Eigenlijk verschrikkelijk, wel heel veilig, maar doods... Ik voel me ook vaak alsof ik niet leef, terwijl bij Rudy heb ik voor 't eerst een glimp opgevangen van wat leven zou kunnen zijn." T: "Maar dan komt die andere magere zwarte man je terug tot 'zijn orde' roepen... waarvan je zegt dat het wel veiligheid geeft." (stap d).

C: "Ik moet nu ineens aan mijn vader denken... dat was hij helemaal... zorgen dat er geld genoeg in huis was... maar verder niets van plezier, dat was direct verdacht."

T:"Zo is het ook nu verdacht als jij je in iets plezierigs zou kunnen begeven."

C: "Leven zoals mijn vader geeft wel zekerheid.... Maar wat heb ik aan die zekerheden terwijl ik mij doodongelukkig voel! "

T: "Met die figuur aan je zijde, waarvan je herkent dat hij geÔnspireerd is op je vader, is er zekerheid in je leven, maar alsof je dat moeilijk kan verzoenen met iets van levendigheid waarvan je ook even de smaak te pakken krijgt bij Rudy... Kan je eens kijken hoe jij je zou willen verhouden tot die figuur daar aan je zijde?" (stap e) .

C: "Hij heeft wel iets positiefs, hij behoedt mij om meer geld uit te geven dan ik heb... daarvoor wil ik hem wel wat in de buurt houden. Maar ik wil mijn leven niet verder met hem slijten, ik wil ook kunnen genieten en daarvoor is hij een slechte raadgever, dat heb ik al lang genoeg ondervonden!"

T:"Wat word je gewaar als je dit zo uitdrukt?"

C: "Ik voel me erg opgelucht en veel lichter... Ik heb nu ook het gevoel dat ik beslis wanneer ik hem nodig heb en niet dat hij altijd over mij heerst."

 

Eigenlijk komt in het werken met de interfererende karakters al het voorgaande terug: de cliŽnt moet zich heel veilig voelen in de relatie met de therapeut vooraleer een interfererend karakter zich wil laten kennen, het is immers een belangrijke verdediging waarmee interpersoonlijke onveiligheid werd opgevangen; de therapeut dient de grondhoudingen sterk te communiceren wanneer het interfererend karakter zich meldt, hier is empathie en respect zowel voor het interfererend karakter als voor het onderliggende deel in de cliŽnt noodzakelijk; interfererende karakters hebben vaak de functie gehad om overweldigende emoties binnen de perken te houden, dus die gaan ook terug bovenkomen wanneer we openen wat er onder het interfererende karakter schuilgaat; het principe van de juiste afstand vinden tot het interfererend karakter is een essentieel element om de cliŽnt ermee te laten werken zonder ermee samen te vallen en er toch voldoende contact mee te voelen om het te kunnen exploreren; ook bij het exploreren van het interfererend karakter komen de vier elementen waarmee een gevoelde betekenis vervolledigd wordt terug: er komt een beeld, dat emoties en lichamelijke gewaarwordingen oproept en daaropvolgend ontstaat meestal de herinnering aan de situatie waarin het interfererend karakter tot stand is gekomen; ook de terugkeer naar het onderliggende deel in de cliŽnt is gekenmerkt door de situatie waarin dat deel van de persoon in verdrukking is geraakt, daarbij komen bepaalde emoties en lichaamsgewaarwordingen op de voorgrond en vaak wordt er een nieuw beeld of symbool ingeroepen dat meer tegemoet komt aan de nood van het onderliggende deel. Gedurende gans het werkproces met een interfererend karakter is de authentieke aanwezigheid van de therapeut heel belangrijk: de stevigheid van de therapeut is nodig om zowel het 'machtige' interfererende karakter op te vangen, als het diep gekwetste onderliggende 'kleine kind' ; ook dient de therapeut vanuit zijn eigen persoon soms een levendige tegenboodschap te geven die ruimte maakt voor het helingsproces bij de cliŽnt.

Opvallend is dat sessies waarin er gewerkt wordt met een interfererend karakter, door de cliŽnt altijd beleefd worden als een belangrijk keerpunt. Onmiddellijk daarna signaleren cliŽnten voelbare veranderingen in hun leven en op het einde van de therapie wordt er nog vaak verwezen naar dat proces als een 'sleutelgebeuren' dat in hun herinnering van de globale therapie er levendig blijft uitspringen.

Ter afronding van het globale focusingproces wordt de focusingattitude van zorg dragen voor wat er aanwezig is nog eens beklemtoond. De therapeut kan bijvoorbeeld aan de cliŽnt aangeven: "Laat aan het gevoel weten dat we weldra zullen eindigen en kijk of er nog iets is dat het nodig heeft vooraleer we kunnen eindigen?"

Wanneer het proces nog niet helemaal af is - terwijl de sessietijd toch op is - wordt de beleving waarmee er geŽindigd wordt, speciaal 'gemarkeerd' of wordt een uitdrukking die tijdens de sessie erg betekenisvol bleek te zijn, nog eens op de voorgrond geplaatst. Bijvoorbeeld: "De uitspraak: 'met kracht tegenover hem staan' leek je bijzonder te raken... Daar kunnen we volgende keer op terugkomen als je dat wenst, of je kan dat zelf bijhouden en ondertussen uitproberen hoe dat verder gaat." Vaak beklijft er ook een beeld dat in de sessie naar boven kwam en wordt er met datzelfde beeld meerdere sessies verder gewerkt.

Soms wordt er aan de cliŽnt gevraagd om ter afronding even na te gaan wat hij vooral wil onthouden uit de voorbije sessie of wat hij voornamelijk mee naar huis wil nemen. In dat valideringsproces kan de weg die er in de sessie werd afgelegd soms kort worden overlopen om de cliŽnt te helpen bij het 'internaliseren' van de stappen die hij nodig heeft om zijn weg te vinden.

Ook wordt er zorg gedragen dat de cliŽnt de vriendelijke houding voor zijn proces na de sessie kan behouden. Daartoe wordt soms een metafoor ingeroepen, zoals bijvoorbeeld wanneer er iets kwetsbaars bij de cliŽnt aanwezig is op het einde van de sessie, kan de therapeut voorstellen dat de cliŽnt dat bij zich draagt zoals in 'kind in een draagzakje', of iets kostbaars kan worden meegenomen 'in een juwelenkistje'.

Wanneer zich in de beŽindigingfase nog nieuwe dingen melden, wordt daar niet meer op ingegaan, maar de cliŽnt wordt eventueel nog wel begeleid om daar een goede plaats aan te geven, waar het kan wachten tot later.

Tenslotte kan het zinvol zijn om iets van appreciatie uit te spreken voor het proces dat heeft plaatsgevonden, zelfs wanneer het maar om een klein stapje ging.

 

Het zal ondertussen voor de lezer wel duidelijk zijn dat focusing een veelheid aan microprocessen inhoudt. De therapeut moet echter niet proberen om 'al die stappen' met de cliŽnt te doorlopen, want dan wordt er meestal voorbijgegaan aan wat de cliŽnt wezenlijk nodig heeft. Wel is het belangrijk dat de therapeut die verschillende stappen goed 'in de vingers heeft' , zodat hij af en toe op iets daarvan beroep kan doen wanneer het cliŽntproces daarom vraagt. EssentiŽler dan de 'stappen' is de 'houding' die voortdurend aan de cliŽnt gecommuniceerd wordt. Door de focusinghouding wordt de cliŽnt herhaaldelijk uitgenodigd om met vriendelijke aandacht te luisteren naar zichzelf en zorg te dragen voor wat zich aandient. Op die manier leert de cliŽnt geleidelijk de taak van de therapeut overnemen en krijgt hij 'handvatten' waarmee hijzelf 'therapeut' kan worden voor de 'cliŽnt in zichzelf'.


All contents Copyright 2012 by The Focusing Institute
Email comments to webmaster