Home > Nederlands > Lichaam - Omgeving (Hoofdstuk I van A Process Model, 1997)

Lichaam - Omgeving (Hoofdstuk I van A Process Model, 1997)

E.T. Gendlin

Vertaald door Aukje Strandstra en Frans Depestele (2009)*

* Noot van de vertalers. A Process Model (PM) is een filosofisch werk dat zoekt naar de grondslag van onder meer focussen en experiëntiële psychotherapie. Gendlin (TAE workshop NY, 4/8/2002) vertelde dat A Process Model ontstaan is uit zijn willen begrij­pen van dat organisme dat in staat is tot focussen: "I wanted to understand living bodies that could focus". Het gaan vertalen van PM wordt gezien als een hels karwei. Voor hoofdstuk 1 is hier toch een poging gedaan, om deze als opstap aan te bieden aan Nederlands- en Vlaamstalige geïnteresseerden. Hopelijk verlaagt het de drempel om PM in het origineel en het Engels te gaan lezen. De oorspronkelijke tekst van A Process Model is beschikbaar op http://www.focusing.org/process.html

Net als bij elke andere filosofie is uitleg respectievelijk een ‘sherpa’ nodig om PM te kunnen snappen, te doorgronden en te doorleven.

Zie ook www.c-consult.nl. Amsterdam, augustus ’09 A.S.


Lichaam en omgeving zijn één, maar natuurlijk slechts in bepaalde opzichten. Laten we ze zorgvuldig definiëren. Het lichaam is een niet-representatieve concretisering van (met) zijn omgeving. Maar lichaam en omgeving verschillen ook in sommige van hun eigenschappen en werkingen. Laat me vier soorten van omgeving definiëren .

Omgeving#1 is de omgeving van de toeschouwer: wat toeschouwers in hunomgeving# definiëren dat van invloed kan zijn op een organisme. Bijvoorbeeld, het is omgeving#1 wanneer wetenschappers of jagers de omgeving van een dier definiëren. Zijdefiniëren de omgevingsfactoren. Zij doen dit in hun eigen termen. Sommige apen leven in bomen, andere op de grond. De toeschouwer definieert deze omgevingsfactoren als feit, gescheiden van het dier. De toeschouwer zou ook iets (vervuiling bijvoorbeeld) kunnen opmerken dat op het punt staat het dier te beïnvloeden terwijl het dier dat nog niet opmerkt. De lichamen van de toeschouwers interacteren met “de omgeving van het dier”, hun eigen omgeving wordt toegeschreven aan een ander levend lichaam.

Omgeving#2 is de wederkerig identieke omgeving; omgeving#2 is identiek aan het levend proces van het organisme. Lichaam en omgeving zijn één gebeurtenis, één proces. Bijvoorbeeld het is lucht-komend-in-longen-en-bloedcellen. We kunnen deze gebeurtenis zien als lucht (die naar binnen komt), of als (een naar binnen komen in) longen en lichaamscellen. Het is hoe dan ook één gebeurtenis, gezien als omgeving of als lichaam. Hier noemen we het geen "omgeving" omdat het zich rond iets bevindt maar omdat het deel uitmaakt van het levend proces. En, "lichaam" is niet gewoon de longen, maar de uitzettende longen. Binnenkomende lucht en uitzettende longen kunnen niet gescheiden worden. Het punt is dat we geen scheiding moeten aanbrengen tussen de longen en lucht.

Neem een ander voorbeeld, lopen (‘walking’). Dezelfde druk van de voet op de grond, is ook de druk van de grond op de voet. We kunnen de grond van de voet scheiden, maar niet de weerstand van de grond van de druk van de voet. De omgeving#2 is niet de scheidbare omgeving maar de omgeving die deelneemt aan een levend proces. De omgeving#2 is niet de grond, maar de grond-die-deelneemt-aan-het-lopen, de weerstand van de grond. Het gedrag kan niet gescheiden worden van dit participeren van de grond. Als het lichaam in de lucht hangt en probeert te lopen, zal zijn zwaai veel breder zijn en het zal niet vooruit komen; het zal niet een lopen zijn. In diep water zal “lopen” onmiddellijk worden: een met de benen spartelen; de bewegingen zullen anders zijn. Het lichaam kan zonder de grond niet hetzelfde gedrag vertonen. En, de grond kan geen gronddruk zijn (het kan niet deze omgeving#2 zijn) zonder het lopen. Zonder het lopen is er nog wel een grond in de zin van omgeving#1, maar niet als een omgeving#2. De omgeving#2 is een functie van doorgaand leven, en bestaat alleen binnen dat leven.

De bekende uitspraak "de omgeving is een functie van het organisme" krijgt hier een meer exacte betekenis. We kunnen verhelderen wat de ethologen bedoelen door te zeggen dat er niet één werkelijkheid is, maar slechts de werkelijkheid van elke soort. Het is in de betekenis van omgeving#2 dat elke soort een verschillende omgeving heeft. Uiteraard zijn de leden van de soort verschillend maar dat geldt ook voor de rest van de omgeving. Omgeving#2 en het lichaam zijn functies van elkaar. In alleen deze zin is er "geen werkelijkheid" behalve de verschillende werkelijkheden die geïmpliceerd zijn in de diverse levende processen.

Dus lichaam is zowel hetzelfde als niet hetzelfde als omgeving! Maar in plaats van bij deze paradoxen te blijven, ontwikkelen we onderscheidingen en concepten. We hebben vanuit bepaalde gezichtspunten kunnen specificeren wanneer lichaam en omgeving gelijk zijn en wanneer niet.

Lichaam en omgeving#2 impliceren elkaar – het is fundamenteel voor deze filosofie dat “impliceren” gedefinieerd wordt, maar we kunnen het nog niet definiëren louter vanuit dit punt. We kunnen wel zien dat wat gewoonlijk "lichaam" en "omgeving#" wordt genoemd er verschillend uitziet, zelfs wanneer we zeggen dat zij deel van één gebeurtenis zijn (voet en grond, lucht en longen). Zij zijn geen evenbeelden. Het wederzijds impliceren van lichaam en omgeving is “niet-iconisch”, dat wil zeggen ze representeren elkaar niet. De botten en de spieren in de voet en het been lijken niet op de grond, maar zij staan heel sterk met elkaar in relatie. Men kan de hardheid van de grond afleiden van de voet, het been, en hun spieren. Op een nu nog onheldere manier betekent “men kan afleiden” dat de voet de hardheid van de grond impliceert. Andere soorten van terrein of woongebied impliceren andere lichaamsdelen. Omdat lichaam en omgeving één gebeurtenis zijn in omgeving#2, impliceert elk de ander. Zij impliceren elkaar in de zin dat zij deel zijn van één interactieproces, één organisatie. Of, zouden we kunnen zeggen, elk is een deel van een grotere organisatie die de ander omvat. Elk functioneert zoals het functioneert enkel in deze bredere functionerende organisatie.

Dit gebruik van het woord "impliceren" geeft ook aan dat de gehele gebeurtenis er reeds is, zelfs als het aspect lichaam of het aspect omgeving#2 gedacht wordt als op zichzelf staande.

Omgeving#2 bevindt zich altijd in een proces, en het is identiek met het lichaam-in-dat-proces.

Omgeving#3 is de omgeving die gemaakt is door het lichaam-omgeving#2-proces. Het lichaam produceert-en-‘verzamelt’ (is) een omgeving als resultaat. De schelp van de mossel, het web van de spin, of de boom van de bever wanneer die valt, zijn voor deze dieren hun belangrijkste omgeving, maar deze omgevingen zijn het resultaat van het lichaam-omgeving#2-proces van het dier. Omgeving#3 is breder dan omgeving#2.

We kunnen een continuüm opstellen van grotere en kleinere schijnbare scheidbaarheid. De boom van de bever boom lijkt geheel te scheiden te zijn van de bever, een nest van de vogel ook; een spinnenweb is scheidbaar van de spin die, als we het web kapotmaken, verder zal leven en een ander web zal maken. De schelp van de mossel is niet zo scheidbaar en toch denken we het als iets separaat. En hoe zit dat met ons haar - is het niet een product van het lichaam? Maar onze huid ook. En het lichaam ook!

Het lichaam van elk schepsel is het resultaat van zijn levend proces. Omgeving#3 omvat de door de bever gevelde boom, maar ook het lichaam van de bever. De omgeving die door het proces geproduceerd wordt, is breder, maar het omvat het lichaam.

Omgeving#3 is een andere, een verschillende manier waarop lichaam en omgeving één zijn (het lichaam is omgeving), maar omdat deze omgeving breder is dan het lichaam, is deze gelijkstelling niet perfect. Hoe lichaam en omgeving#3 elkaar impliceren is meer gecompliceerd. (Zie IVAh-3)

De bloedsomloop wordt vaak de omgeving genoemd van de cellen die het voedt. De vele processen in het lichaam hebben verscheidene delen van het lichaam als hun omgeving. De huidlijn is niet de grote scheidslijn. Omgeving#3 strekt zich uit van de boom van de bever boom tot in zijn lichaam en zijn cellen. Omgeving#3 is de omgeving die reeds geregenereerd is door het lichaamsproces. Het is het web en tevens het lichaam van de spin en zijn delen en onderdelen.

Het levend proces gaat door in omgeving#3; het gaat door in het web van de spin alsook in zijn lichaam.

Het lichaam is een omgeving waarin het lichaam-proces verder doorgaat .

Het lichaam is gemaakt vanuit een embryo, opgaand in een proces. De lichaamsstructuur is niet alleen gemaakt maar wordt ook gehandhaafd door doorgaande processen - als zij stoppen, desintegreert het lichaam.

Kijk naar de lijnen op een zeeschelp, een klein eerste deel is reeds een zeeschelp, en was de schelp van het kleinere dier; meer en meer ringen worden toegevoegd door de groei. De schelp heeft de aard van een actiespoor, het is geconcretiseerd proces. Het lichaam is dat ook, een neerslag [van de vormingsgeschiedenis: A.S], een actiespoor.

Wanneer aspecten van omgeving#3 opnieuw betrokken worden in het levend proces, zijn zij daardoor ook omgeving#2 (beide binnen en buiten de huid, het omhulsel van het lichaam).

Het proces is lichaam-omgeving#2 en gaat doorin lichaam-omgeving#3. Maar slechts sommige producten van het levend proces worden omgeving#3, slechts die waarin het doorgaat. Omgeving#1 is wat de toeschouwer observeert rond het lichaam, maar het lichaam heeft ook zijn eigen omgeving dat het gemaakt heeft.

Maar als omgeving#3 het lichaam slechts beïnvloedt wanneer het weer omgeving#2 is, bestaat het onderscheid dan alleen voor een toeschouwer? Natuurlijk is het één lichaam, geen twee. Omgeving#3 kan het lichaam slechts beïnvloeden voor zover deze omgeving#3 omgeving#2 weer binnengaat. Maar dan maakt het behoorlijk uit dat deze omgeving#2 niet helemaal nieuw is; het is ook al een product van dit levend proces. Het proces gaat door in zijn eigen producten. Stel dat een andere boom op het punt staat te vallen en de bever te raken - de toeschouwer zou kunnen zien dat dit staat te gebeuren. Maar omgeving#3 gaat het proces niet opnieuw binnen op die willekeurige manier. De boom waaraan de bever knaagt zal hem niet raken. Hij zal de bever op vele manieren beïnvloeden eens hij op de grond ligt, maar deze zullen in belangrijke mate anders zijn dan de inbreuk van een boom die niet reeds omgeving#3 was. Het lichaam impliceert de omgeving die het lichaam al "is". Leven vindt grotendeels plaats in omgevingen die door dat leven geproduceerd of gewijzigd zijn. Het proces gaat grotendeels door in zijn eigen producten.

De belangrijkste "omgeving" van elk dier bestaat uit zijn soortgenoten, andere dieren zoals zij. Zij zijn de producten van het omgeving#2-proces van de soort. In die zin zijn zij zeer duidelijk omgeving#3 (en, wanneer er iets gaande is, omgeving#2). Verreweg het grootste aandeel van dierlijke activiteit is met hen en gericht op hen. De moeder voor het kind, vrouwtje en mannetje voor elkaar, de groep voor het individu, dit zijn cruciale omgevingen. We moeten niet de fysische omgeving als ons basismodel van omgeving nemen, hoewel dat vaak ook al omgeving#3 zal zijn – al georganiseerd door het levend proces wanneer het huidige levend proces het inneemt als omgeving#2.

Omgeving#3 is de grond waarop je stapt, het hol van de mol, de bijenkorf, de mierenhoop, en onze lichamen en de hunne. Het levend proces (omgeving#2) creëert voor zichzelf een omgeving waarin het dan verder doorgaat. We kunnen dat de “huisbakken” omgeving noemen, of de "gedomesticeerde omgeving,”- omgeving#3.

Het gebruik van het woord "in" is nu nog onhelder (wanneer ik zeg dat het proces doorgaat "in" omgeving#3) omdat we niet willen beginnen met om het even welk helder begrip van ruimte. We hebben en gebruiken onze ruimte, natuurlijk, maar laten we nieuwe concepten van ruimte laten voortkomen uit onze interactionele concepten. (We zullen het onderscheid tussen “extern” en “intern” in VIIB "afleiden"). We zullen zien dat veel verschillende soorten ruimte gegenereerd kunnen worden vanuit het proces (zowel conceptueel en experientieel). Dus laat ons deze twee-richtings-"in" toelaten zich te handhaven.

Wat “binnen” en “in” betekent is geen eenvoudige vraag. Het simpele “in” van een huidomhulsel veronderstelt een louter positionele ruimte waarin een lijn of een vlak verdeelt in een “buiten” en een “in”. Maar de gronddruk doet zich niet alleen gelden op de voetzool, maar ook helemaal naar boven toe in het been en het lichaam. Van bijna elk afzonderlijk bot van een dier kunnen paleontologen niet alleen de rest van het lichaam afleiden maar ook het soort omgeving waarin en het soort terrein waarop het dier leefde. Bij het ademhalen gaat zuurstof de bloedstroom-omgeving binnen en helemaal alle cellen in. Het lichaam is in de omgeving maar de omgeving is ook in het lichaam, en is het lichaam. We kunnen zeggen dat omgeving#3 deelneemt in omgeving#2, oftewel we kunnen zeggen dat het lichaam-omgeving#2-proces in de omgeving#3 doorgaat.

Omgeving#0 is een vierde type. Iets kan op een dag het levend proces beïnvloeden en omgeving#2 worden, maar dat is nu nog niet het geval. Het is niet eerder voorgekomen, en het is nu geen omgeving van enig schepsel, zelfs niet van de toeschouwer. In de schijnbaar oneindige rijkdom van het ongeborene kan er iets gebeuren dat tot nu nog niet gebeurde, en dat dan zal te omschrijven zijn in termen van het proces waarin het deelneemt. Laat ons het nu hierover hebben. We willen niet zeggen dat het er gewoonweg niet is. Aangezien dit geen werkelijkheid is zoals omgeving#2, en aangezien omgeving#3 het resultaat is van omgeving#2, hebben we een term nodig voor "omgeving" die nooit gefunctioneerd heeft in een levend proces.

Omgeving#0 is niet dat wat functioneert maar niet herkend is geworden. Enorme delen van het universum zijn betrokken in ons proces; zij zijn alle reeds deel van omgeving#2. Omgeving#0 is dat waarmee een omgeving#2 tot stand zou kunnen komen, maar dit is niet gebeurd. (We hoeven niet aan te nemen dat wat bestaat omgeving moet worden). Als iets nieuws omgeving#2 binnengaat, is het evenzeer door het levend proces als door omgeving#0 bepaald.

Maar is omgeving#0 ruimtelijk te onderscheiden van wat al omgeving is? Of kan het juist hier zijn in wat participeert? Uiteraard moeten we het tweede kiezen, als we überhaupt al kiezen, omdat de ruimtelijke relatie nu nog ongedefinieerd is.

In deze definities staat proces voorop. We nemen niet eerst het "lichaam" en de "omgeving" om hen dan samen te voegen. Later zullen we termen ontwikkelen om van "het lichaam" te spreken. Nu is het lichaam-omgeving#2.

Met latere termen zullen we in staat zijn te zeggen welk deel van omgeving#3 het lichaam is.

Lichaamsstructuur is altijd betrokken in bepaalde processen, anders valt ze uiteen. Ze is een structuur vanuit proces, ten behoeve van verder proces, en slechts op die wijze.

Lichaam en omgeving#2 en #3 impliceren elkaar omdat elk deel is van één organisatie die de ander omvat. Elk functioneert zoals het doet slechts binnen deze bredere functionerende organisatie. Dit gebruik van de term “impliceren” komt door het feit dat al naar de gehele gebeurtenis wordt verwezen, wanneer we alleen denken aan het lichaam, of alleen aan de omgeving.

 

This page was last modified on 05 February 2010

All contents Copyright 2003 by The Focusing Institute
Email comments to webmaster